Door de groep Werknemers van het EESC

Bij de voorstelling van de nieuwe leden van de Europese Commissie valt meteen op dat de functie van commissaris voor Werkgelegenheid en Sociale Rechten is geschrapt en dat er in de plaats daarvan een commissaris voor “Mensen, Vaardigheden en Paraatheid” is gekomen. Het gebruik van het woord “mensen” roept heel wat vragen op. Zouden immers niet bijna alle portefeuilles betrekking moeten hebben op mensen? Ook bij jargon als “paraatheid” - een term die ook in de titel van een andere portefeuille voorkomt - vallen de nodige kanttekeningen te maken.

De kern van de zaak echter is wat hier ontbreekt en wat is weggevallen. Sociaal beleid en werkgelegenheid zijn op de achtergrond geraakt en hebben het veld moeten ruimen voor concurrentievermogen. De cryptische en soms bloemrijke benamingen van sommige andere functies spreken boekdelen. Een greep uit de titels: “Uitvoering en Vereenvoudiging”, “Welvaart”, en “Waterweerbaarheid”.

De portefeuille voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid bestaat al sinds de jaren 1970, maar werd in 2019 omgedoopt tot Werkgelegenheid en Sociale Rechten. De desbetreffende commissaris was bevoegd voor een aantal belangrijke beleidsgebieden, zoals de Europese pijler van sociale rechten en de daarmee samenhangende verstrekkende initiatieven. Kwaliteitsbanen, gelijkheid, de sociale dialoog en fatsoenlijke arbeids- en levensomstandigheden blijven van fundamenteel belang voor het voortbestaan van onze democratieën.

Tegenwoordig echter is het al vaardigheden wat de klok slaat en hebben we het niet meer over werkgelegenheid. Het idee dat veel van onze huidige problemen voortkomen uit een tekort aan vaardigheden lijkt in sommige kringen gemeengoed te zijn geworden. Bedrijven hebben moeite om voldoende geschoolde arbeidskrachten te vinden. Dat behoeft geen verwondering te wekken. Voor instapbanen zijn meerdere jaren werkervaring vereist en het is niet ongebruikelijk dat eisen worden gesteld als een doctorsgraad, uitgebreide talenkennis en een waslijst aan getuigschriften voor vaardigheden die in slechts een paar maanden op de werkvloer zouden kunnen worden aangeleerd. Bovendien dekken de geboden salarissen maar al te vaak nauwelijks de kosten van levensonderhoud. En dan hebben we het alleen nog maar over functies voor hoogopgeleiden, die toch al aan het langste eind trekken.

Dit lukraak strooien met jargon, in combinatie met een narratief dat voornamelijk om het concurrentievermogen draait, is bijzonder zorgwekkend, om een geliefde uitdrukking van de Commissie te gebruiken. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat welzijn, kwaliteitsbanen en fatsoenlijke lonen al lang en breed verworven zijn en dat het nu alleen nog zaak is het tekort aan vaardigheden aan te pakken. Het ziet er echter naar uit dat het met name de nieuwe commissarissen zijn die bepaalde vaardigheden ontberen: zij zien niet wat er echt speelt en zijn niet in staat een en ander in perspectief te plaatsen en realistische oplossingen aan te dragen. Laten we hopen dat de nieuwe commissarissen in weerwil van de gecreëerde perceptie toch met sterke voorstellen zullen komen om de sociale en arbeidsrechten, de democratie en de strijd tegen klimaatverandering kracht bij te zetten.