Een industriestrategie voor een krachtig herstel na de pandemie moet het maatschappelijk middenveld omvatten, benadrukt het EESC in een recent verslag over het ontwerp voor een nieuwe industriestrategie van de EU. Ze moet gericht zijn op duurzaamheid en welzijn, sociale gevolgen meten en een efficiënt en toegankelijk gezondheidszorgstelsel bevorderen.

De COVID-19-pandemie heeft zwakke plekken in het economisch bestel van Europa blootgelegd, met name regionale ongelijkheden, lacunes in vaardigheden en risico’s voor de interne markt en de levering van strategische goederen. In het licht van deze lessen heeft de Europese Commissie haar blauwdruk voor een groener, digitaler en concurrerender industrieel landschap geactualiseerd: de nieuwe industriestrategie voor Europa.

Het EESC heeft een verslag over de aanpassingen en een aanvullend advies opgesteld, waarin het de voorwaarden belicht voor een inclusief en innovatief ecosysteem voor de gezondheidszorg waarop de industrie in de EU kan steunen.

In het verslag roept het EESC alle partijen die bij de Europese economie betrokken zijn op om de toekomst ervan vorm te geven, variërend van vakbonden, industrie en kmo’s tot andere maatschappelijke organisaties en overheden. De huidige strategie is gericht op het bedrijfsleven, maar het is absoluut noodzakelijk om de sociale partners te betrekken bij het formuleren van de vereiste doelstellingen, streefcijfers en indicatoren voor succesvolle veranderingen, aldus het EESC. Het voegt eraan toe dat concurrentievermogen niet de enige indicator van een haalbare langetermijnstrategie kan zijn. Er is behoefte aan een breder pakket kernprestatie-indicatoren (KPI’s) dan in de voorgestelde strategie wordt vermeld. Concurrentievermogen en investeringen zijn volgens het EESC niet voldoende. Wil het Europese bedrijfsleven echt duurzaam zijn, dan moeten KPI’s ook sociaal welzijn en duurzame groei bevorderen.

Belangrijk om vast te stellen zijn de effecten van de arbeids- en productieomstandigheden op zowel de samenleving als het milieu, alsmede de kwaliteit van de banen.

Een andere reeks indicatoren moet de transitie naar een circulaire economie zonder afval beoordelen. Ten slotte moeten ook factoren die voor alle sectoren gelden, zoals investeringen in O&O, in het oog worden gehouden om ervoor te zorgen dat bedrijven en banen een lang leven is beschoren.

Belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang (IPCEI’s) zijn projecten die de hele EU bestrijken en de ontwikkeling ondersteunen van innovaties die cruciaal zijn voor de groene en de digitale transitie. Volgens het EESC is in de eerste plaats de knowhow van werknemersorganisaties nodig om deze projecten goed uit te voeren. Ten tweede moeten de IPCEI’s worden beoordeeld op de waarde en de banen die zij creëren en op de vaardigheden die werknemers en bedrijven nodig hebben voor de gemoderniseerde industrieën.

Normen zijn een ander belangrijk instrument om het Europese leiderschap in de industriële productie te herstellen. Het Comité dringt erop aan dat de door Europese bedrijven ontwikkelde normen niet alleen door de ondernemingen zelf worden verspreid: de Commissie moet er achter staan en ook helpen bij de verspreiding ervan.

In het aanvullend advies wordt nagegaan hoe de strategie de toegang tot een eerlijker en beter gecoördineerde gezondheidszorg in Europa kan verbeteren.

Het EESC beveelt aan om vooral te kijken naar governance, diversificatie van het aanbod en digitale gezondheidszorg, die allemaal met elkaar samenhangen. Beter geleide bedrijven zouden de interne markt vlotter laten functioneren en nieuwe bedrijven stimuleren. Een groter aantal producenten zou op zijn beurt de toegang tot goederen en diensten in de gezondheidszorg betrouwbaarder maken, net als prikkels om de productie van essentiële materialen en producten terug naar Europa te halen.

Maatregelen voor digitale gezondheidszorgsystemen die tussen organisaties en over de grenzen heen werken, zouden de eengemaakte markt voor de sector verder versterken en de zorg verbeteren. Om dezelfde redenen dringt het EESC aan op maatregelen om de synergie tussen de publieke en de particuliere sector, grote ondernemingen en kmo’s te vergroten, alsook op investeringen in O&O en opleiding van alle werknemers in de gezondheidszorg. (dm)