Ik ging naar deze COP met het gevoel dat het vijf voor twaalf was en er dus geen tijd meer mocht worden verloren. COP27 was een cruciale COP, waar de daad bij het woord zou worden gevoegd en spijkers met koppen zouden worden geslagen.

De realiteit is weerbarstig en herinnert ons er voortdurend aan dat de aarde opwarmt en dat ons eigen optreden op klimaatgebied tekortschiet.

De afgelopen jaren is gebleken dat er van eendrachtige internationale samenwerking geen sprake is: het ontbreekt aan politieke wil, bijvoorbeeld om een toereikend fonds voor verlies en schade op te richten, hoewel de meest kwetsbare en meest getroffen landen hier al jaren om vragen.

Uiteindelijk werd er op deze COP toch overeenstemming bereikt over een dergelijk fonds, al weten we nog niet precies hoe het in de praktijk zijn beslag zal krijgen.

Na lange en lastige discussies is op de COP27 een werkprogramma afgesproken voor een rechtvaardige overgang op basis van sociale dialoog en sociale bescherming. Deze aanpak wordt door de vakbeweging en door het Europees Economisch en Sociaal Comité al sinds jaar en dag bepleit.

Er mag echter niet worden vergeten dat er geen klimaatrechtvaardigheid mogelijk is zonder mensenrechten en dat arbeidsrechten ook mensenrechten zijn. En er is veel gesproken over rechten in Sharm-el-Sheikh. Het maatschappelijk middenveld, belangrijke organisaties, vakbonden en sommige regeringen hebben het gebrek aan mensenrechten in Egypte aan de kaak gesteld.

Daarnaast moeten we stilstaan bij de vraag hoe de COP’s zelf functioneren en in bredere zin hoe het internationale klimaatbeleid tot stand komt: zijn er op dit vlak hervormingen nodig, moet er niet meer worden geluisterd naar het maatschappelijk middenveld, de sociale partners, jongeren en vrouwen, en moeten ze niet meer worden betrokken bij de besluitvorming?

Wat het eindresultaat van de COP betreft, is er gezien de enorme omvang van de klimaatcrisis zeker sprake van een gebrek aan ambitie. Vol ongeloof hebben we gezien en gehoord hoe er gediscussieerd werd over kwesties die vanzelfsprekend zouden moeten zijn, zoals de 1,5°C-doelstelling en een snellere vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen, om nog niet te spreken van het financieringsvraagstuk.

Een laatste punt: de klimaatonderhandelingen worden duidelijk nog steeds gedomineerd door mannen, zowel getalsmatig als wat hun hiërarchische positie betreft, en dat terwijl de aanwezigheid van vrouwen in de besluitvorming over het klimaat essentieel is. Zijn zij er niet, dan wordt de ongelijkheid groter en worden vrouwen niet in staat gesteld een grotere bijdrage te leveren aan de formulering en uitvoering van klimaatbeleid.

De tijd dringt en deze COP27 heeft hoe dan ook laten zien dat er, ondanks enige vooruitgang, nog heel wat werk aan de winkel is.

Isabel Caño Aguilar

Vicevoorzitter van de waarnemingspost Duurzame Ontwikkeling