2022 is uitgeroepen tot Europees Jaar van de Jeugd: dat is een goede zaak, maar het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) wijst er wel op dat het niet bij promotieactiviteiten mag blijven en dat het Europees Jaar met duidelijke plannen en toezeggingen moet bijdragen aan de EU-strategie voor jongeren. Daarnaast moet het initiatief ook de meest kwetsbare jongeren en de jongeren in kansarme gebieden bereiken.

Daartoe moet de EU duidelijke indicatoren en doelstellingen voor het jeugdbeleid ontwikkelen en sectoroverschrijdend te werk gaan, zodat de activiteiten geen doel op zich zijn, zo staat te lezen in het EESC-advies over het Europees Jaar van de jeugd 2022.

“Het EESC kijkt ernaar uit zijn steentje bij te dragen aan het Europees Jaar van de jeugd 2022. Wij willen met name concrete resultaten zien op de beleidsgebieden die het leven van de Europese jongeren beïnvloeden”, aldus rapporteur Michael McLoughlin.

Wel maakt het EESC zich zorgen om de overvolle agenda en de ellenlange prioriteitenlijst van het Europees Jaar van de Jeugd; zo is het aantal toezeggingen, verwijzingen naar andere initiatieven, budgetten en beleidsterreinen enorm.

“Het voorstel moet op de eerste plaats duidelijk en doelgericht zijn. Soms geldt dat minder meer is, en het mag niet zo zijn dat een lange lijst van beleidsterreinen en gedeelde verantwoordelijkheden een duidelijke focus op resultaten en verantwoordelijkheid in de weg staat”, zo beklemtoonde rapporteur McLoughlin.

Het EESC is het ermee eens dat het besluit om 2022 uit te roepen tot Europees Jaar van de Jeugd op het juiste moment kwam. De COVID-19-crisis heeft met name jongeren bijzonder hard getroffen en zal langdurige gevolgen hebben op het vlak van onderwijs en opleiding en voor hun sociale en financiële situatie en hun mentaal welbevinden. Het EESC vreest echter ook dat het voorstel halsoverkop is uitgewerkt.

Dat kan ertoe leiden dat belangrijke jeugdgerelateerde initiatieven wel met veel bombarie op politiek niveau worden aangekondigd maar niet noodzakelijk gericht zijn op systematische langetermijnontwikkelingen.

De snelheid waarmee een en ander tot stand is gekomen kan ook problemen opleveren voor de uitvoering van het Jaar op nationaal niveau, aangezien de nationale overheden nauwelijks de tijd hebben gehad om actie te ondernemen in hun lidstaat. Tevens is het denkbaar dat zij er niet in zullen slagen de nodige financiële middelen voor de geplande activiteiten bijeen te krijgen.

Het EESC pleit daarom voor een budget van in totaal 10 miljoen euro, in plaats van de voorgestelde 8 miljoen, waarvan 2 miljoen bestemd zou zijn voor de coördinatie op nationaal niveau. Alleen op dit manier zal het Europees Jaar tastbare resultaten opleveren en aanzetten tot deelname. (ll)