In een recent advies dringt het EESC aan op meer maatregelen tegen mensen en organisaties die desinformatie verspreiden, met meer aandacht voor voorkomen dan voor genezen.
Door de COVID-19-pandemie zijn de risico’s van desinformatie scherp in beeld gekomen. Na een kritische evaluatie heeft de Europese Commissie tegen deze achtergrond in mei 2021 richtsnoeren gepubliceerd die tot een sterkere EU-gedragscode inzake desinformatie moeten leiden, zodat er een veiligere, meer betrouwbare online-ruimte tot stand kan komen.
In een advies hierover stelt het EESC dat de aandacht van de Commissie te veel uitgaat naar de inhoud en de moderatie daarvan en te weinig naar degenen die de inhoud verspreiden.
“Inhoud verandert voortdurend en de gebruikte platforms evolueren, maar de hoofdactoren blijven in wezen dezelfde en ook de beweegredenen veranderen niet,” aldus Thierry Libaert, rapporteur van het advies.
Desinformatie is een uiterst winstgevende activiteit, en het is dan ook een goede zaak dat de Commissie alles op alles wil zetten om het inkomsten genererende vermogen ervan aan te pakken. Valse informatie verspreidt zich zes keer sneller dan ware informatie, wordt vaker geliket en gedeeld, veroorzaakt meer activiteit en trekt meer aandacht, wat meer bezoekers oplevert en dus meer waarde en meer reclame-inkomsten.
Zoals Facebook-klokkenluider Frances Haugen onlangs onthulde, had haar werkgever niets tegen het fenomeen ondernomen, maar er juist een integraal onderdeel van zijn bedrijfsmodel van gemaakt.
Om desinformatie op een betere manier bij de bron aan te pakken zou de Commissie echter een “arsenaal” aan meer bindende economische, juridische en financiële instrumenten moeten overwegen die verder gaan dan vrijwillige toezeggingen van online-adverteerders.
“De Europese Unie moet meer capaciteiten verwerven om doeltreffend op te treden tegen desinformatie, die stelselmatig wordt verspreid door vijandige machten die vaak worden aangestuurd door regeringen van bepaalde derde landen, waaronder met name Rusland, maar ook China”, aldus de rapporteur.
Nationale overheden hebben meer steun nodig van de inlichtingendiensten, volgens het EESC, dat aandringt op EU-brede samenwerking en kennisdeling. Maar aangezien de mediavrijheid en de rechtstaat in verschillende EU-landen onder druk staan, zou de Europese Commissie er wel op moeten toezien dat de strijd tegen desinformatie niet wordt gebruikt als voorwendsel om de openbare vrijheden, en met name de vrijheid van meningsuiting, in te perken.
Vooral voor landen die aan Rusland grenzen zou de Commissie meer moeten inzetten op inhoud in andere talen dan het Engels en zich meer moeten richten op onbekendere platforms zoals VKontakte, Rumble, Odysee, Gab, Parler en op grote namen. Hoewel de platforms een kleiner publiek trekken, zijn ze soms wel minder transparant en kunnen ze hun pijlen gemakkelijker op specifieke groepen richten.
Omdat er voortdurend nieuwe netwerken opduiken die steeds geraffineerdere methoden gebruiken (zoals “deep fakes”), en sommige toepassingen het midden houden tussen een platform en een particuliere berichtendienst (zoals Telegram), moeten nieuwe risico’s worden aangepakt zodra zij worden ontdekt. (dm)