Europa kampt met een tanend concurrentievermogen en moet dringend de tekortkomingen van zijn interne markt aanpakken, op een manier die zowel het bedrijfsleven als de burgers ten goede komt.

Tijdens de januarizitting van het EESC is een debat gehouden over het Europese concurrentievermogen en de toekomst van de interne markt. Centraal in het debat stond een EESC-advies over dit onderwerp dat werd opgesteld op verzoek van het Belgische voorzitterschap van de EU, dat concurrentievermogen en interne markt als prioritair thema heeft aangemerkt. Het advies zal ook als input dienen voor het verslag op hoog niveau over de toekomst van de interne markt van Enrico Letta, dat in maart aan de Europese Raad zal worden gepresenteerd.

In dit advies benadrukt het EESC dat de interne markt de uitdagingen moet aangaan van de huidige context, die sterk verschilt van die waarin hij in de jaren ‘90 werd opgericht. De EU staat daarom van verschillende kanten onder druk: zij moet gelijke concurrentievoorwaarden handhaven en tegelijkertijd de industrie ondersteunen om de groene transitie te helpen financieren; zij moet banen in Europa houden en er tegelijkertijd voor zorgen dat EU-bedrijven concurrerend blijven; en zij moet de toegang tot grondstoffen veiligstellen en er tegelijkertijd voor zorgen dat arbeids- en milieunormen worden geëerbiedigd.

Rapporteur Sandra Parthie: “De interne markt heeft de EU geholpen om uit de groeien tot een van de sterkste handelsblokken ter wereld, maar deze positie staat onder druk. Waar het EESC voor pleit, is om in te zetten op de ontwikkeling van een Europees industriebeleid dat niet zomaar de som is van 27 manieren om het industriebeleid vorm te geven, maar veeleer de uiting van een werkelijk Europese visie op ons industriële potentieel.”

Tijdens het debat zei Markus Beyrer, directeur-generaal van BusinessEurope: “Het Europese concurrentievermogen staat onder druk. We raken achterop bij onze mondiale concurrenten, en de interne markt is een van de instrumenten waarover wij beschikken om dit te verhelpen. Het doel moet zijn de nodige marge te creëren om het Europese model zoals we dat kennen te bestendigen, inclusief de sociale aspecten.”

Volgens Ludovic Voet, confederaal secretaris van het Europees Vakverbond (EVV), is het Europees sociaal contract het fundament van de interne markt en moet dit contract worden versterkt: “In ons aan concurrentie onderhevige systeem moeten bedrijven eerlijke lonen betalen, goede banen bieden en geen schade toebrengen aan het milieu. Europa moet het momentum voor een rechtvaardige groene transitie vasthouden”.

In het EESC-advies wordt voorgesteld om in de volgende Commissie een commissaris voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB) te benoemen, die wordt belast met een vijfjarenplan voor de ontwikkeling van veilige, kwalitatief hoogwaardige en duurzame DAEB’s. Deze diensten zijn goed voor 25 % van het bbp van de EU en 20 % van de totale werkgelegenheid, en bestrijken belangrijke sectoren zoals vervoer, energie, communicatie, toegang tot water en sanitaire voorzieningen. Zij zijn echter ook van groot belang in de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening. (dm)