In 2021 won de Belgische vereniging Grootouders voor het Klimaat de EESC-prijs voor het maatschappelijk middenveld op het gebied van klimaatactie met hun campagne "Onze spaarcenten voor hun toekomst". De campagne was gericht op het aanmoedigen van ongeveer 2,4 miljoen Belgische grootouders om hun spaargeld – destijds geschat op zo'n 910 miljard euro aan activa – te herinvesteren in duurzamere projecten. EESC-Info sprak met co-voorzitter van Grootouders voor Klimaat Hugo Van Dienderen over klimaat en duurzame financiën nu, en de verwachtingen en plannen voor de toekomst.

In 2021 won de Belgische vereniging Grootouders voor het Klimaat de EESC-prijs voor het maatschappelijk middenveld op het gebied van klimaatactie met hun campagne "Onze spaarcenten voor hun toekomst". De campagne was gericht op het aanmoedigen van ongeveer 2,4 miljoen Belgische grootouders om hun spaargeld – destijds geschat op zo'n 910 miljard euro aan activa – te herinvesteren in duurzamere projecten. EESC-Info sprak met co-voorzitter van Grootouders voor Klimaat Hugo Van Dienderen over klimaat en duurzame financiën nu, en de verwachtingen en plannen voor de toekomst.

Ziet u na drie jaar tastbare resultaten van uw campagne? Hoe zou u de stand van de klimaat- en duurzame financiering in België over het algemeen beoordelen – is er sprake van vooruitgang en neemt het bewustzijn onder mensen toe over het belang hiervan?

De prijs van het EESC was voor ons een belangrijke erkenning en steun. We hebben er vaak naar verwezen in contacten met de overheid, andere steunende organisaties en onze medeburgers. Het heeft ons geholpen om verdere contacten te leggen en onze campagne verder te ontwikkelen, zowel voor onze medegrootouders als voor jongere generaties, met de ontwikkeling van presentaties, workshops en een lessenreeks over duurzame financiën.

We merkten dat het nog steeds geen evident onderwerp is, maar dat tegelijk vanuit Europa belangrijke wetgevende inspanningen werden geleverd (taxonomie, green deal, CSRD, CSDDD enz.) waardoor nu ook bedrijven en sectoren meer en meer initiatieven nemen waarnaar we kunnen verwijzen. Dat is hoopvol en nodig, zoals uit de (ontbrekende) resultaten van de COP in Bakoe helaas nogmaals is gebleken.

Uit een recente studie leerden we dat ons werk voor bewustwording nog steeds zeer nodig is. Slechts 5-15 % van de beleggers maken gebruik van hun recht om aan hun financiële instellingen te vragen om rekening te houden met hun duurzame voorkeuren. We moeten daar dus op blijven inzetten.

Wat verwacht u van de COP29? Neemt u deel aan de conferentie, zoniet rechtstreeks dan door de 12-jarige jongen Ferre en zijn grootouders te steunen? Denkt u dat klimaatfinanciering een cruciaal onderwerp is voor een rechtvaardige transitie?

Wanneer we dit schrijven is de COP29 net voorbij. We hebben daarvoor vanaf het begin onze volle ondersteuning, financieel en communicatief, gegeven aan de 12-jarige Ferre, die met zijn grootouders, lid van Grootouders voor het Klimaat, de reis naar Bakoe ondernam om de stem van kinderen te blijven laten horen. We willen hierbij ook alle medegrootouders en instanties bedanken die dit mogelijk hebben gemaakt.

De COP29 moest de COP van de klimaatfinanciering worden omdat financiering inderdaad cruciaal is voor de rechtvaardige transitie. In Bakoe zagen we dat helaas nog zeer onvoldoende. Onze boodschap blijft, het geld is voorhanden en we vragen aan wie het heeft om verantwoordelijkheid te nemen en het duurzaam in te zetten voor de toekomst van onze kleinkinderen.

Wat zijn de nieuwste projecten van Grootouders voor het Klimaat die u graag zou willen noemen? Zijn er al nieuwe projecten in de maak?

We blijven hoopvol naar de toekomst kijken. 2025, tien jaar na de Overeenkomst van Parijs, wordt voor Grootouders voor het Klimaat het jaar waarin we in groten getale naar onze medegrootouders zullen toegaan, die lid zijn van de grote seniorenorganisaties in Vlaanderen. We zitten midden in de voorbereidingen waarbij enkele tientallen Grootouders voor het Klimaat zich aan het scholen zijn om vol vertrouwen, met een uitgestoken hand en met een luisterend oor het gesprek te kunnen aangaan over het klimaat.

We ontwikkelden meerdere workshops, waaronder één over duurzaam sparen en beleggen, die we gratis aanbieden aan alle lokale afdelingen van de seniorenorganisaties. We merken alvast veel enthousiasme. Eind november 2025 organiseren we een groots slotevenement, dat – zo hopen we – geen slot zal zijn maar een begin van een groeiend engagement voor de toekomst.

Hugo Van Dienderen is medeoprichter en covoorzitter van Grootouders voor het Klimaat. Opgericht in 2019, Grootouders voor het Klimaat is een onafhankelijke beweging van senioren, voornamelijk opa's en oma's, die een leefbare wereld willen doorgeven aan toekomstige generaties. Het is lid van de Europese vereniging Grootouders voor Klimaat. 

Op de foto: Ferre met zijn Grootouders voor het Klimaat op COP 29 in Bakoe. Ferre heeft er tegenover veel belangrijke mensen zijn ongerustheid over de klimaatcrisis kunnen uitspreken.

Photo by Lucie Morauw

De jonge klimaat- en mensenrechtenactiviste Adélaïde Charlier, medeoprichter van Youth for Climate Belgium, licht toe wat er allemaal mis is met het COP29-klimaatakkoord dat onlangs in de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe is gesloten. COP29 wordt door velen als een symbool van geschonden vertrouwen en klimaatongelijkheid beschouwd en is voor burgerorganisaties en kwetsbare landen uitgedraaid op een bittere teleurstelling.

De jonge klimaat- en mensenrechtenactiviste Adélaïde Charlier, medeoprichter van Youth for Climate Belgium, licht toe wat er allemaal mis is met het COP29-klimaatakkoord dat onlangs in de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe is gesloten. COP29 wordt door velen als een symbool van geschonden vertrouwen en klimaatongelijkheid beschouwd en is voor burgerorganisaties en kwetsbare landen uitgedraaid op een bittere teleurstelling.

De recente COP29-klimaatconferentie in Bakoe heeft de wereld verdeeld achtergelaten. Burgerorganisaties en kwetsbare landen vinden dat hun vertrouwen is geschonden en geven uiting aan hun diepe gevoel van frustratie. Er is weliswaar een akkoord gesloten waarin wordt toegezegd dat er vanaf 2035 een bedrag van 300 miljard USD per jaar beschikbaar zal worden gesteld om ontwikkelingslanden te helpen zich aan te passen aan de klimaatverandering, maar dit is bij lange na niet genoeg om te voldoen aan de dringende behoeften van de landen die het sterkst door de klimaatcrisis worden getroffen.

“Liever geen akkoord dan een slecht akkoord”

Een etmaal voordat er toch nog een overeenkomst uit de bus kwam, zei Harjeet Singh, directeur Global Engagement bij het initiatief voor een verdrag inzake non-proliferatie van fossiele brandstoffen: “Liever geen akkoord dan een slecht akkoord.” Uit zijn woorden bleek al dat de spanning tussen kwetsbare landen, ngo’s en rijkere staten hoog was opgelopen. Op zondag werd dan het ontluisterende resultaat van de conferentie bekendgemaakt, waarbij slechts één financieringsdoel werd vastgelegd: een belofte om vanaf 2035 jaarlijks 300 miljard USD ter beschikking te stellen. Dit bedrag is een lachertje, want het ligt ver beneden wat de kwetsbare landen gezamenlijk hadden gevraagd (1,3 biljoen USD om hun behoeften op het gebied van aanpassing, mitigatie, en verlies en schade te dekken).

Deze overeenkomst is gekoppeld aan de nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling inzake klimaatfinanciering (NCQG), die bedoeld is om de klimaattransitie in ontwikkelingslanden te financieren. Het thans afgesproken bedrag van 300 miljard USD is drie keer zo hoog is als het in 2009 vastgestelde streefdoel, dat pas in 2022 werd gehaald (twee jaar later dan was overeengekomen), maar is het nog steeds verre van voldoende. Wanneer men de inflatie in aanmerking neemt, komt de toezegging van 100 miljard USD uit 2009 neer op een bedrag van 258 miljard USD vanaf 2035. Zo bezien is er sprake van een reële toename van slechts 42 miljard USD. Dit maakt duidelijk waarom kwetsbare landen opriepen tot “biljoenen in plaats van miljarden”.

De opzet van het voorgestelde klimaatfinancieringsdoel is net zo teleurstellend als het bedrag zelf. Er ontbreekt een specifieke toezegging voor publieke financieringsmechanismen, zoals subsidies, die landen in het Zuiden hard nodig hebben.

Daarnaast zijn er geen subdoelen om mitigatie, aanpassing en het aanpakken van verlies en schade adequaat te financieren. Er ligt een disproportionele nadruk op mitigatie (voornamelijk gefinancierd door multilaterale ontwikkelingsbanken en de particuliere sector), terwijl een duidelijke focus op aanpassing ontbreekt. Hieruit blijkt dat er nog steeds niets is geleerd van 2009: aanpassing wordt nog altijd aanzienlijk ondergefinancierd, en het probleem wordt nog verergerd doordat er geen verantwoording wordt afgelegd en er geen specifieke financiering is voor verlies en schade.

Verlies en schade worden weliswaar genoemd, maar wordt er slechts vaag en oppervlakkig naar verwezen, in plaats van dat ze op betekenisvolle wijze in de overeenkomst zijn opgenomen. Het raamwerk is ook van zodanige aard dat er zwaar wordt geleund op particuliere financiering, waarbij gedacht moet worden aan publiek-private partnerschappen, door overheidsfondsen ondersteunde particuliere investeringen waarbij de risico’s beperkt zijn, en volledig particuliere investeringen, die actief worden aangemoedigd.

Ontkenning van historische verantwoordelijkheid

Afgezien van de ontoereikende financiering heeft het akkoord diepe barsten in de klimaatdiplomatie blootgelegd. Rijkere landen zijn eraan voorbijgegaan dat ze in uiteenlopende mate verantwoordelijk zijn voor de klimaatverandering en hebben een deel van de financiële last doorgeschoven naar kwetsbare landen, die nu al de grootste gevolgen van de klimaatverandering ondervinden. Landen als India, Cuba, Bolivia en Nigeria hebben hun woede geuit en de rijke landen verweten niet te betalen voor hun historische uitstoot van broeikasgassen.

Hierdoor is het vertrouwen naar het nulpunt gedaald en zijn de spanningen opgelopen naar een niveau dat in de geschiedenis van de COP-besprekingen nooit eerder is gezien. De nu toegezegde 300 miljard USD verbleekt bij de 1 biljoen dollar die volgens VN-deskundigen nodig is als minimumbedrag voor investeringen van ontwikkelingslanden (met uitzondering van China) vanaf 2035.

Een slechte deal die onder druk is gesloten

De armste en kwetsbaarste landen ter wereld, waaronder de 45 minst ontwikkelde landen (MOL’s) en 40 kleine eilandstaten, hebben het akkoord uiteindelijk onder enorme politieke druk geaccepteerd. De angst dat er geen enkele deal tot stand zou komen, in combinatie met de vrees dat een toekomstige regering-Trump wellicht weinig goeds zal brengen voor het klimaat, dwong hen tot handelen. Voor velen was het een bitter compromis: er werd akkoord gegaan met onvoldoende financiering, teneinde onmiddellijke hulp veilig te stellen.

De prijs van uitstel

Deze slechte overeenkomst vormt niet alleen een klap voor de diplomatieke betrekkingen, maar zal ook desastreuze gevolgen hebben voor de levens van miljoenen mensen. Kwetsbare landen staan al onder gigantische druk door extreem weer, een stijgende zeespiegel en schaarste aan middelen. Regeringen van rijkere landen moeten beseffen dat het veel goedkoper is om nu te investeren in klimaatbeleid dan te wachten met het betalen van de torenhoge rekening die de natuur voor ons in petto heeft en die alsmaar verder oploopt.

De uitkomst van COP29 wijst ons er eens te meer op dat de klimaatcrisis dringend om krachtdadig optreden en gerechtigheid voor de zwaarst getroffenen vraagt. Zonder ingrijpende toezeggingen zal de kloof tussen het mondiale Noorden en Zuiden jaar na jaar dieper worden, waardoor wereldwijde samenwerking op klimaatgebied fundamenteel wordt ondermijnd.

Met COP30 in het verschiet is het duidelijk dat de strijd voor klimaatrechtvaardigheid nog lang niet gestreden is.

Adélaïde Charlier is een 23-jarige Europese activiste voor klimaatrechtvaardigheid. Ze is vooral bekend als medeoprichtster van Youth for Climate Belgium en meer recent als oprichtster van The Bridge, een organisatie die bruggen slaat tussen jongeren en klimaatpolitiek. Daarnaast staat ze op de Forbes-lijst “30 under 30” voor 2024.

Door Mariya Mincheva

Bulgarije en Roemenië voldeden in 2011 al aan de voorwaarden voor toetreding tot het Schengengebied, maar 13 jaar later kunnen ze nog steeds niet ten volle profiteren van de voordelen van vrij verkeer. Dit heeft een politieke prijs en werkt euroscepsis in de hand.

Door Mariya Mincheva

Bulgarije en Roemenië voldeden in 2011 al aan de voorwaarden voor toetreding tot het Schengengebied, maar 13 jaar later kunnen ze nog steeds niet ten volle profiteren van de voordelen van vrij verkeer. Dit heeft een politieke prijs en werkt euroscepsis in de hand.

Tijdens een zitting van de Raad op 22 november in Boedapest kwamen de ministers van Binnenlandse Zaken van Hongarije, Oostenrijk, Bulgarije en Roemenië overeen “de nodige stappen te ondernemen” om een datum vast te stellen voor het opheffen van de controles aan de landsgrenzen. Voorwaarde was wel dat er meer inspanningen zouden worden geleverd om irreguliere migranten die via de Westelijke Balkanroute reizen, tegen te houden.

Het Akkoord van Schengen is van essentieel belang voor het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal binnen de EU en is medebepalend voor het economische succes van de EU. Beperkingen daarvan ondermijnen het concurrentievermogen en de economische groei van de EU en belemmeren de totstandbrenging van een sociale markteconomie, zoals afgesproken in de Verdragen.

Het komt al jaren voor dat lidstaten tijdelijk weer grenscontroles invoeren, maar er is nog nooit gekeken naar de economische en sociale gevolgen hiervan voor de eengemaakte markt. De Europese Commissie buigt zich wel over fysieke handelsbelemmeringen, maar daaronder vallen alleen zaken als grensblokkades, demonstraties en agressie tegen truckers. De gevolgen van controles aan de landsgrenzen, zoals de tijdelijke herinvoering van grenscontroles door de Schengenlanden, worden hierbij buiten beschouwing gelaten.

In 2023 heeft de Raad besloten de controles aan de interne lucht- en zeegrenzen met Bulgarije en Roemenië met ingang van 31 maart 2024 op te heffen. De controles aan de binnengrenzen worden echter gehandhaafd en het is niet bekend wanneer deze zullen verdwijnen. Dit brengt aanzienlijke kosten met zich mee en heeft tot gevolg dat bedrijven de voordelen van de eengemaakte markt niet ten volle kunnen benutten.

Door stappen te zetten in de richting van de volledige integratie van Bulgarije en Roemenië in het Schengengebied kan de EU haar interne cohesie versterken, haar concurrentievermogen vergroten en de grondbeginselen van vrij verkeer en solidariteit die aan het Europese project ten grondslag liggen, handhaven.

Volgens het Europees Parlement zou het feit dat deze landen geen deel uitmaken van het Schengengebied, de marktverwachtingen omtrent de positie van deze landen in de EU kunnen beïnvloeden. Hiermee wordt een politiek signaal afgegeven dat van invloed kan zijn op het rendement van staatsobligaties, de prijs van financiële activa en de rentetarieven voor burgers en bedrijven, en schadelijke consequenties kan hebben voor de reële economie.

Beide landen geven jaarlijks miljarden euro’s uit als gevolg van hogere logistieke kosten, vertragingen bij de levering van goederen en apparatuur, en hogere brandstofprijzen en chauffeurskosten. Deze directe kosten worden onvermijdelijk doorberekend aan de consument in de vorm van hogere prijzen en hebben gevolgen voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van werknemers.

Het toerisme lijdt hieronder. Ook het vrije verkeer van werknemers wordt erdoor belemmerd, met als gevolg dat werknemers uit Bulgarije en Roemenië minder mogelijkheden hebben om werk te zoeken in aangrenzende EU-lidstaten. Dit heeft zijn weerslag op de bouw, de landbouw en de dienstensector, die sterk leunen op seizoenarbeiders en tijdelijke arbeiders.

In zijn verslag over de toekomst van de eengemaakte markt roept Enrico Letta op tot krachtig verzet tegen iedere poging om het vrije verkeer tussen de lidstaten te beperken, met inbegrip van technische belemmeringen voor routes en wegvervoer, en tegen iedere opschorting van het Akkoord van Schengen.

Het is hoog tijd dat de Raad een datum vaststelt voor het opheffen van de grenscontroles tussen Bulgarije, Roemenië en de andere EU-landen die lid zijn van het Schengengebied. Een definitief besluit hierover wordt verwacht tijdens de zitting van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van de EU op 12 december.

Bulgarije en Roemenië betalen een hoge economische en politieke prijs omdat zij niet ten volle profiteren van het Schengenregime, wat ook negatieve gevolgen heeft voor het concurrentievermogen en de economische groei van de EU. Het is hoog tijd dat de Raad van de EU een datum vaststelt voor de opheffing van de controles aan de landgrenzen tussen de twee landen en met de andere Schengenlanden, schrijft Mariya Mincheva, rapporteur van het advies De kosten van het niet deel uitmaken van het Schengengebied voor de interne markt — gevolgen voor Bulgarije en Roemenië.  (ll)

Bulgarije en Roemenië betalen een hoge economische en politieke prijs omdat zij niet ten volle profiteren van het Schengenregime, wat ook negatieve gevolgen heeft voor het concurrentievermogen en de economische groei van de EU. Het is hoog tijd dat de Raad van de EU een datum vaststelt voor de opheffing van de controles aan de landgrenzen tussen de twee landen en met de andere Schengenlanden, schrijft Mariya Mincheva, rapporteur van het advies De kosten van het niet deel uitmaken van het Schengengebied voor de interne markt — gevolgen voor Bulgarije en Roemenië.  (ll)

Een jaar van vooruitgang en belofte: overdenkingen van voorzitter Oliver Röpke

Nu 2024 ten einde neigt, wil ik stilstaan bij een jaar van belangrijke resultaten voor het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC). Samen hebben we de stem van het maatschappelijk middenveld luider laten klinken, de democratische beginselen versterkt en ons ingezet voor duurzaamheid binnen Europa en wereldwijd.

Een van onze belangrijkste mijlpalen was de start van het initiatief voor leden uit kandidaat-lidstaten (ECM), waarbij vertegenwoordigers van kandidaat-lidstaten van de EU bij de adviesprocessen van het EESC werden betrokken. Dit initiatief bevestigt onze inzet voor een transparant en op verdienste gebaseerd uitbreidingsproces, waarbij toekomstige lidstaten worden voorbereid om ten volle deel te nemen aan de vormgeving van de EU.

Een jaar van vooruitgang en belofte: overdenkingen van voorzitter Oliver Röpke

Nu 2024 ten einde neigt, wil ik stilstaan bij een jaar van belangrijke resultaten voor het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC). Samen hebben we de stem van het maatschappelijk middenveld luider laten klinken, de democratische beginselen versterkt en ons ingezet voor duurzaamheid binnen Europa en wereldwijd.

Een van onze belangrijkste mijlpalen was de start van het initiatief voor leden uit kandidaat-lidstaten (ECM), waarbij vertegenwoordigers van kandidaat-lidstaten van de EU bij de adviesprocessen van het EESC werden betrokken. Dit initiatief bevestigt onze inzet voor een transparant en op verdienste gebaseerd uitbreidingsproces, waarbij toekomstige lidstaten worden voorbereid om ten volle deel te nemen aan de vormgeving van de EU.

We hebben de mondiale partnerschappen uitgebreid door de ondertekening van een memorandum van overeenstemming met de Braziliaanse Raad voor duurzame economische en sociale ontwikkeling. Deze bredere samenwerking op het gebied van duurzame ontwikkeling en democratie werd geïllustreerd tijdens mijn ontmoetingen met president Lula da Silva. . Tijdens de sociale top van de G20 in Rio de Janeiro speelde het EESC een centrale rol door samen met president Lula en de Braziliaanse regering te pleiten voor hervorming van het bestuur en betere sociale bescherming. Ook ons partnerschap met de Afrikaanse Unie, geformaliseerd door middel van een gezamenlijke verklaring tijdens de VN-top over de toekomst, legde de nadruk op inclusieve mondiale governance en billijke klimaatmaatregelen. Deze mondiale initiatieven onderstrepen de groeiende invloed van het EESC op de aanpak van gemeenschappelijke uitdagingen.

Binnen Europa heeft de Week van het maatschappelijk middenveld het belang van lokale betrokkenheid bij het vormgeven van de toekomst van de EU aangetoond. Tijdens het uitbreidingsforum op hoog niveau hebben wij opnieuw bevestigd dat uitbreiding niet alleen gaat over het uitbreiden van de grenzen, maar ook over het verdiepen van gedeelde waarden. Ontmoetingen met leiders zoals de Albanese premier Edi Rama waren erop gericht ervoor te zorgen dat het maatschappelijk middenveld een centrale rol speelt in de toetredingsonderhandelingen met de EU. Deze inspanningen werden aangevuld met discussies over digitale transformatie tijdens de vergadering van het EESC-bureau in Warschau, waarbij de technologische vooruitgang werd afgestemd op de Europese waarden van billijkheid en rechtvaardigheid. Deze activiteiten vormen de basis voor het komende Poolse voorzitterschap van de EU.

In 2025 blijven wij ons richten op het versterken van de participatiedemocratie, het bevorderen van sociale rechtvaardigheid en het aanpakken van mondiale uitdagingen zoals klimaatverandering en digitalisering. Zonder te versagen zal het EESC blijven werken aan een Europa dat luistert, inspireert en niemand aan zijn lot overlaat.

Moge het komende jaar iedereen vrede, vooruitgang en welvaart brengen. 

“Wij plattelandsvrouwen willen niet met medelijden worden gezien; wij willen worden erkend en gewaardeerd als bondgenoten bij het bereiken van duurzame ontwikkeling. We hebben kansen en hoogwaardige basisdiensten nodig om in onze woongebieden te kunnen blijven en de wereld te kunnen blijven voeden”, aldus Luz Haro Guanga, boerin uit Ecuador en uitvoerend secretaris van het Netwerk van plattelandsvrouwen in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (RedLAC), die onlangs het woord nam tijdens het EESC-debat over Vrouwen en de drievoudige crisis van de planeet. In haar interview met EESC Info spreekt mevrouw Haro Guanga over de gevolgen van de klimaatverandering in Latijns-Amerika en waarom er, ondanks de tegenslagen van de COP16, ruimte noch tijd is voor pessimisme in de strijd voor een duurzamere en gezondere planeet. 

“Wij plattelandsvrouwen willen niet met medelijden worden gezien; wij willen worden erkend en gewaardeerd als bondgenoten bij het bereiken van duurzame ontwikkeling. We hebben kansen en hoogwaardige basisdiensten nodig om in onze woongebieden te kunnen blijven en de wereld te kunnen blijven voeden”, aldus Luz Haro Guanga, boerin uit Ecuador en uitvoerend secretaris van het Netwerk van plattelandsvrouwen in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (RedLAC), die onlangs het woord nam tijdens het EESC-debat over Vrouwen en de drievoudige crisis van de planeet. In haar interview met EESC Info spreekt mevrouw Haro Guanga over de gevolgen van de klimaatverandering in Latijns-Amerika en waarom er, ondanks de tegenslagen van de COP16, ruimte noch tijd is voor pessimisme in de strijd voor een duurzamere en gezondere planeet.

EESC info: Uw organisatie, RedLAC, nam deel aan de COP16. Bent u teleurgesteld over de resultaten van de conferentie? Er is immers geen consensus bereikt over de financiering voor de bescherming van de natuur en de biodiversiteit? Is er eigenlijk iets bereikt tijdens de COP16?

Haro Guanga: Als plattelandsvrouw uit Ecuador vecht ik sinds de jaren 1980 voor de rechten van mijn zusters in Ecuador. Een van de lessen die deze bijna 40 jaar mij hebben geleerd, is dat sociale processen enorme inspanningen vergen, weinig onmiddellijke voordelen opleveren en bovenal doorzettingsvermogen, consistentie en volharding vereisen. Een consensus over de financiering voor de bescherming van de natuur en de biodiversiteit zou fantastisch zijn geweest, maar ik weet zeker dat de stem van duizenden mannen en vrouwen uit steden en van het platteland die de COP16 als een lawine zandkorrels hebben overspoeld, de sympathie heeft veroverd van mensen die voorheen deze dringende klimaatactie niet wilden steunen.

We hebben ons doel niet bereikt, maar nu moeten we blijven aandringen bij de autoriteiten van elke stad, gemeenschap en land, zodat zij er nota van nemen. En we moeten met persoonlijke, technische en politieke wil de beste beslissingen nemen om te voorkomen dat mensen in de toekomst van de honger sterven omdat we nu geen actie ondernemen.

Welke gevolgen heeft de klimaatverandering voor inheemse en plattelandsvrouwen in Latijns-Amerika?

Ik wil enkele feiten vermelden uit een document dat is samengesteld door de Inter-Amerikaanse Commissie van Vrouwen (CIM) van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), op basis van gesprekken met 70 vrouwelijke leiders uit 16 landen. Het dialoogproces is in september 2024 van start gegaan. Het document is tijdens de COP16 gepresenteerd en bevat de standpunten van plattelandsvrouwen.

De conclusie luidde dat klimaatverandering in alle landen een feit is, ook in Noord- en Zuid-Amerika, en ernstige gevolgen heeft. Vier klimaatverschijnselen sprongen er echter uit.

Langdurige droogtes: Sommige landen meldden maanden met zeer weinig neerslag, terwijl landen verder naar het zuiden melding maakten van jarenlange droogte.

De temperatuurstijging ligt ruim boven de normale niveaus: Deze hoge temperaturen dragen, samen met de droge grond, bij aan tal van branden (sommige spontaan en andere opzettelijk aangestoken), maar ze worden allemaal verergerd door de droge omstandigheden, die het leven en de biodiversiteit aantasten. Zo werd ten tijde van de bijeenkomst in Brazilië gemeld dat er in de staat Piauí 300 branden waren uitgebroken.

Stormen: Er werd vermeld dat de regen intens is en in in de vorm van hevige en zeer korte buien valt, vaak vergezeld van hevige storm. Deelnemers uit Midden-Amerika, Mexico, de Dominicaanse Republiek en de kust van Colombia maakten gewag van een toename van de intensiteit en frequentie van orkanen en tropische stormen die hun gebieden treffen.

Veranderingen in neerslagpatronen: “Het regent op de meest onverwachte momenten” is een uitdrukking die tijdens alle bijeenkomsten steeds gehoord werd; in het zuiden en in de Andes-gebieden was sprake van onverwachte vorst, hagel en sneeuwval. Over het algemeen werd een daling van de jaarlijkse neerslag vastgesteld. Anderzijds: áls het regent, zijn het stortregens, die overstromingen en natuurrampen veroorzaken, die leiden tot verlies van mensenlevens, infrastructuur, wegen en gewassen, en die de levensomstandigheden aantasten, vooral in plattelandsgebieden. Een van de deelnemers vatte het als volgt samen: “Soms is de regen angstaanjagend.”

Anderzijds worden niet-duurzame praktijken toegepast, waardoor de natuurlijke hulpbronnen uitgeput raken. De verontrustendste en ook meest genoemde kwesties waren de houtkap of ontbossing van bossen en mangroves; opzettelijk aangestoken bosbranden; incorrecte omgang met watervoorraden; vervuiling; de bevordering van intensieve, expansieve, waterintensieve en vervuilende activiteiten; en het buitensporige gebruik van landbouwchemicaliën, herbiciden en pesticiden.

Een opvallend aspect was de inertie van sommige lokale en nationale overheden die geen regelgevingskaders ontwikkelen om destructieve activiteiten te beteugelen en duurzame productieve strategieën te bevorderen. Sommige landen hebben regelgeving, maar vanwege corruptie of persoonlijke politieke belangen voeren de autoriteiten deze niet uit.

De internationale leiders worden dan ook opgeroepen meer druk uit te oefenen op staten om de door hen ondertekende verdragen inzake biodiversiteit en klimaatverandering na te leven.

Bent u optimistisch of pessimistisch over de richting die de strijd voor klimaat- en milieubescherming uitgaat? Wat moet er volgens u worden gedaan?

Als we niet groots dromen, zullen we geen grote dingen bereiken. Terwijl de klimaatverandering ons raakt en de gevolgen ervan snel toenemen, moeten we blijven vechten zodat besluitvormers aandacht besteden aan die fundamentele aspecten die prioritaire actie vereisen, niet alleen wat betreft financiering, maar ook ten aanzien van coördinatie, samenwerking en minder egoïsme en partijpolitieke ijver.

Ik vertrouw erop dat als we blijven aandringen, onze stem blijven verheffen en de sociale processen op de lange termijn door volharding in stand houden; als we strategische allianties sluiten, in Noord- en Zuid-Amerika en over de hele wereld, we het overheidsbeleid kunnen beïnvloeden en ervoor kunnen zorgen dat degenen die machtsposities bekleden of besluitvormingsfuncties vervullen, dit doen vanuit de overtuiging dat het dringend noodzakelijk is om klimaatverandering te bestrijden. Tegelijkertijd moeten we activiteiten terugdringen die de schadelijke en destructieve effecten van klimaatverandering op onze planeet versnellen: branden, monocultuur, willekeurig gebruik van insecticiden en chemicaliën, vernietiging van waterbekkens, niet-selectieve visvangst, vernietiging van waterbronnen, rioolwaterzuivering, enz.

Pessimisme zal onze stem verzwakken, en er uiteindelijk toe leiden dat we ons werk en onze strijd opgeven. Er is geen moment te verliezen, noch ruimte voor pessimisme in de strijd voor een duurzamere en gezondere planeet, ondanks alle negatieve ontwikkelingen. Het is een kwestie van leven of dood voor de huidige en toekomstige generaties!

We hadden gisteren in actie moeten komen. Maar vandaag is het nog steeds een goed moment om te beginnen met het veranderen van attitudes en om toezeggingen te doen voor het welzijn van alle mensen.

Luz Haro Guanga is een boerin uit Ecuador en uitvoerend secretaris van het Netwerk van plattelandsvrouwen van Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (RedLAC), alsook voorzitter van de technische afdeling van RedLAC in Ecuador,  FUNMUJERURAL-e. RedLAC is een sociale organisatie, bestaande uit meer dan 200 organisaties van plattelandsvrouwen uit heel Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. Opgericht in 1990 in Argentinië streeft RedLAC ernaar de effectieve burger- en politieke participatie van plattelandsvrouwen te bevorderen. Dankzij de langdurige inspanningen van RedLAC heeft de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) de periode 2024-2034 uitgeroepen tot het “Inter-Amerikaans decennium voor de rechten van alle vrouwen, meiden en meisjes in landelijke gebieden van Noord- en Zuid-Amerika”.

Door Andrey Gnyot

Om in Wit-Rusland te worden gearresteerd, volstaat het om het verkeerde beroep te kiezen. Voor zo’n fatale fout kun je zelfs in het centrum van Europa opgepakt worden, bijvoorbeeld in Servië. En een gerenommeerde internationale organisatie als Interpol maakt dit mogelijk. Het klinkt als bitter sarcasme, maar het is de harde waarheid. Ik overdrijf niet. Mijn naam is Andrey Gnyot. Ik ben een Wit-Russische filmmaker, journalist en gewezen politiek gevangene. Dit is mijn verhaal.

Door Andrey Gnyot

Om in Wit-Rusland te worden gearresteerd, volstaat het om het verkeerde beroep te kiezen. Voor zo’n fatale fout kun je zelfs in het centrum van Europa opgepakt worden, bijvoorbeeld in Servië. En een gerenommeerde internationale organisatie als Interpol maakt dit mogelijk. Het klinkt als bitter sarcasme, maar het is de harde waarheid. Ik overdrijf niet. Mijn naam is Andrey Gnyot. Ik ben een Wit-Russische filmmaker, journalist en gewezen politiek gevangene. Dit is mijn verhaal.

In 1999 besloot ik journalist te worden. Televisie en radio waren mijn passie, mijn droom en mijn hobby. Had een 17-jarige zich ooit kunnen voorstellen dat onafhankelijke journalistiek in zijn land als “extremisme” zou worden bestempeld en dat alle andere media zouden worden gereduceerd tot propaganda-instrumenten? Nee, niemand van ons had dit in het Europa van de 21e eeuw voor mogelijk gehouden. Toch is dit precies de situatie in het dictatoriale Wit-Rusland van vandaag. In het hele land is er geen enkel onafhankelijk mediakanaal. Alle media zijn in staatshanden. De staat oefent strikte controle uit op het redactioneel beleid. Het is heel eenvoudig: Loekasjenko’s zelfverklaarde macht wordt de hemel in geprezen en iedereen die daar kritiek op durft te leveren, hoe opbouwend ook, wordt beschouwd als een “vijand van het volk”, een term uit het communistische verleden.

Halverwege de jaren 2000 probeerde ik als jonge, naïeve, pas afgestudeerde journalist voet aan de grond te krijgen in de mediawereld. Tijdens en na mijn studie deed ik veel praktijkervaring op bij televisie en radio, en ik wist precies wat ik wilde. De mogelijkheden namen echter zienderogen af. Particuliere radiostations werden opgedoekt of overgenomen door de staat, terwijl onafhankelijke tv-stations niet eens een zendfrequentie konden krijgen. De keuze was simpel: of meegaan in de propaganda, of gevoelige onderwerpen vermijden en je beperken tot tandeloos amusement. De journalistiek overleefde in Wit-Rusland alleen dankzij een paar kranten en onafhankelijke internetportalen. Veel journalisten zochten een andere baan, velen werden het slachtoffer van repressie. Media die niet op één lijn zaten met het regime kregen regelmatig waarschuwingen van het Wit-Russische ministerie van Informatie. Na drie waarschuwingen werd hun licentie al ingetrokken. Volgens de Wit-Russische vereniging van journalisten is het aanbod van kranten in de periode 2020-2024 met 21 % gedaald. In de Wit-Russische krantenkiosk zijn alleen nog onschuldige publicaties te vinden, gericht op wie een datsja bezit of amateur is van moppen of kruiswoordpuzzels. Alle onafhankelijke sociaal-politieke redacties werden door de autoriteiten opgedoekt of stopten op eigen initiatief met drukken omdat het onmogelijk was geworden om nog te werken.

Gelukkig vond ik voor mezelf een compromisoplossing. Officieel werd ik regisseur en deed ik creatief werk, waarin ik zeer succesvol was, maar ondertussen bleef ik journalist, als vrijwilliger en anoniem, om mezelf te beschermen. Dit bleek een goede tactiek te zijn. Dankzij al mijn ervaring en professionele contacten kon ik de onafhankelijke media nieuw beeldmateriaal bezorgen van de gebeurtenissen in 2020. Ik was ook maatschappelijk en politiek actief en werd een van de oprichters van de Vrije Vereniging van Wit-Russische Atleten SOS.BY, een burgerbeweging die opkomt voor mensenrechten. Ik denk niet dat ik kan worden beschuldigd van vooringenomenheid of partijdigheid omdat ik de kant van mijn volk heb gekozen. Een dictatuur heeft niets te maken met objectiviteit, net zoals propaganda niets te maken heeft met journalistiek.

In 2021 stond Wit-Rusland op de 158e plaats van de 180 landen op de ranglijst van persvrijheid, vijf plaatsen lager dan in 2020. “Voor mediawerkers is Wit-Rusland het gevaarlijkste land van Europa”, waarschuwt de internationale mensenrechtenorganisatie Verslaggevers zonder grenzen.

In 2020, het jaar van de protestbewegingen, gaven de Wit-Russen de volgende voorkeuren aan: het internet en sociale media waren de belangrijkste nieuwsbronnen voor 60 % van de respondenten. Televisie voor slechts 11 % van de respondenten, gedrukte media voor 7 % en radio voor 5 %. Toen het dictatoriale regime in mijn land deze cijfers zag, begon het hard en compromisloos op te treden. Het bedacht de strijd tegen “extremisme” als voorwendsel voor censuur en vervolging. De autoriteiten blokkeerden de toegang tot de inhoud van mediakanalen die hun activiteiten vanuit het buitenland voortzetten. Elke samenwerking met hen werd beschouwd als een uiting van extremisme.

Eind 2023 zaten 32 journalisten in Wit-Rusland in de gevangenis. In de detentiecentra worden journalisten onder druk gezet en onmenselijk behandeld. Volgens mensenrechtenactivisten ging blogger en journalist Ihar Lossik van Radio Liberty lange tijd in hongerstaking in de gevangeniskolonie, waarna hij probeerde zijn handen en keel door te snijden. Hij werd veroordeeld tot 15 jaar gevangenis. Elke vorm van samenwerking met onafhankelijke media, die als “extremistische groeperingen” worden bestempeld, wordt steeds meer vervolgd. Recentelijk zijn niet alleen vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties vervolgd, maar ook gewone burgers die voor journalisten commentaar geven op maatschappelijke en politieke gebeurtenissen.

Op 31 oktober 2024 werd mijn persoonlijke Instagram-account door het Wit-Russische regime uitgeroepen tot “extremistisch materiaal”. Dat betekent dat niet alleen ik, maar ook al mijn volgers in Wit-Rusland zullen worden aangeklaagd omdat ze op mijn account zijn geabonneerd. Meer dan 5000 internetbronnen in Wit-Rusland vallen volgens de dictatuur onder de categorie “extremistisch”. Waarschijnlijk kan geen ander Europees land prat gaan op zulke indrukwekkende statistieken! Als je je afvraagt of wij Wit-Russen vinden dat er genoeg aandacht wordt besteed aan de situatie van de journalistiek in ons land, zal ik eerlijk zijn: Nee, dit probleem krijgt te weinig aandacht. Niet alleen het instituut van de journalistiek wordt ontmanteld, ook de journalisten zelf worden fysiek kapotgemaakt.

Zelfs buiten Wit-Rusland worden journalisten en activisten vervolgd. Ik ben daar het beste voorbeeld van. Het regime heeft geleerd hoe het democratische instellingen moet gebruiken om zijn snode doelen te bereiken. Journalisten, activisten, bloggers en politiek actieve burgers worden vervolgd voor fiscale misdrijven, meestal wegens oude onbetaalde belastingen. De perfecte dekmantel voor wat in werkelijkheid politiek gemotiveerde vervolging is. Mensenrechtenactivist en Nobelprijswinnaar Ales Bjaljazki zit in de gevangenis voor belastingontduiking. De hoofdredacteur van de onafhankelijke website “TUT.BY” (die in 2020 door het regime werd geblokkeerd) en haar collega’s zitten ook vast op grond van fiscale misdrijven. Interpol gebruikte dezelfde strafrechtelijke paragraaf om een arrestatiebevel tegen mij uit te vaardigen. Het had bijna acht maanden nodig om in een intern onderzoek te concluderen dat dit arrestatiebevel in strijd was met artikel 2 en 3 van hun statuten. Desondanks werd ik gearresteerd en zat ik zeven maanden en zes dagen vast in de centrale gevangenis in Belgrado. Vijf maanden lang kreeg ik huisarrest onder strikte voorwaarden. Tot twee keer toe besloot het Servische Hooggerechtshof mij uit te leveren aan het dictatoriale Wit-Rusland. Mijn advocaat en ik gingen telkens met succes in beroep tegen dit vonnis. Ik ben beroofd van een jaar van mijn leven en van mijn fysieke en mentale gezondheid. En dat allemaal omdat ik het verkeerde beroep in het verkeerde land heb gekozen. Gewoon omdat ik een eigen mening heb en die als actieve burger wilde uiten.

Gelukkig heb ik uiteindelijk gewonnen. Anders zou je dit nu niet lezen. Dankzij de ongelooflijke solidariteit van journalisten, politici, maatschappelijke organisaties en ngo’s kon ik Servië verlaten en zit ik nu veilig in Berlijn. Maar mijn verhaal is nog niet voorbij. Ik heb nog een lang herstelproces voor de boeg, een lange strijd ook. Ik weet dat ik plichtsgetrouw mijn roeping heb gevolgd, ook al zien sommigen dat als extremisme. Ik weet dat onafhankelijke journalistiek een van de bouwstenen is van een democratische samenleving. Het soort samenleving dat de Wit-Russen willen. En we rekenen erop dat we in deze belangrijke strijd niet aan ons lot worden overgelaten.

Door Peter Schmidt, Diandra Ní Bhuachalla en Arnaud Schwartz

Als vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld van de EU tijdens de COP29 in de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe pleit het EESC voor dringende, tastbare klimaatactie en voorrang voor sociale en milieurechtvaardigheid in klimaatonderhandelingen. 

Door Peter Schmidt, Diandra Ní Bhuachalla en Arnaud Schwartz

Als vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld van de EU tijdens de COP29 in de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe pleit het EESC voor dringende, tastbare klimaatactie en voorrang voor sociale en milieurechtvaardigheid in klimaatonderhandelingen. 

We hebben Peter Schmidt, voorzitter van de ad-hocgroep COP, gevraagd naar de belangrijkste standpunten van het EESC over het hoofdthema van de COP29: klimaatfinanciering.

Peter Schmidt: De wereldwijde toename van extreme klimaat- en weersomstandigheden maakt eens te meer duidelijk dat we onze klimaatambitie moeten opvoeren. Terwijl dit jaar goed op weg is om het warmste jaar ooit worden, komen ook door de mens veroorzaakte klimaatrampen zoals overstromingen, bosbranden en droogtes steeds vaker voor en zijn ze steeds heftiger, waardoor de sociale ongelijkheid nog groter wordt. De kosten van het uitblijven van klimaatmaatregelen zijn veel hoger dan de kosten van klimaatactie.

Er staat veel op het spel tijdens de COP29. Overeenstemming over mondiale oplossingen voor klimaatfinanciering is van cruciaal belang om ook ontwikkelingslanden de middelen te geven voor wereldwijde klimaatactie. Het EESC heeft tijdens de COP29 in Bakoe aanbevelingen gedaan op basis van zijn advies over klimaatfinanciering, dat vooral gaat over de hervorming van de internationale financiële architectuur om doeltreffende en toegankelijke klimaatfinanciering te ontsluiten en te faciliteren.

Het EESC pleit voor de vaststelling van een nieuwe collectieve kwantitatieve doelstelling om de lacunes in de klimaatfinanciering te dichten, waardoor deze geschikter zal zijn voor het beoogde doel, biodiversiteitsvriendelijker zal zijn, meer effect zal sorteren en nauwkeuriger gericht zal zijn op de meest kwetsbare landen en gemeenschappen. De klimaatfinancieringsstromen moeten worden geleid door de beginselen van een rechtvaardige transitie, in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen als uitgangspunt hebben. Hierbij zijn langetermijnverbintenissen van zowel publieke als private actoren van doorslaggevend belang, en overheidsfinanciering zal een cruciale rol spelen bij het mobiliseren van particuliere investeringen in klimaatinitiatieven en de risico’s van dit soort investeringen verminderen.

Hoewel lokale initiatieven en burgerbewegingen toegang moeten krijgen tot klimaatfinanciering, pleit het Comité tevens voor een alomvattende aanpak om de cyclus van schuldenlast en onderinvestering in aanpassingsmaatregelen te doorbreken. We roepen op tot een billijke verdeling van klimaatfondsen om ongelijkheden aan te pakken. Daarnaast is betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld van cruciaal belang voor het creëren van een inclusieve, democratische aanpak die ervoor zorgt dat klimaatinvesteringen doeltreffend en duurzaam zijn.

We spraken met Diandra Ní Bhuachalla, de jongerenafgevaardigde van het EESC voor de COP (2023-2025), over haar verwachtingen voor de COP29. We vroegen haar wat in de ogen van jongeren de meest dringende klimaatkwesties zijn die als eerste moeten worden opgelost.

Diandra Ní Bhuachalla: Na de teleurstellende resultaten van de COP28 heb ik mijn verwachtingen voor de COP29 zoveel mogelijk geprobeerd bij te stellen. Aangezien de conferentie dit jaar wordt voorgezeten door een land dat sterk afhankelijk is van de inkomsten uit fossiele brandstoffen, viel het me bijzonder zwaar om hoop te blijven koesteren.

Na overleg met verschillende jongerenorganisaties in heel Europa, via de regelmatige bijeenkomsten van de jongerentaskforce voor het COP-programma waar ik als jongerenafgevaardigde van het EESC aan deelnam, besloot ik me te focussen op klimaatrechtvaardigheid en een rechtvaardige transitie, klimaatfinanciering en een nieuwe collectieve kwantitatieve doelstelling, en op een zinvolle deelname van jongeren aan internationale besluitvormingsprocessen.

Nu ik weet dat er tijdens de eerste week nauwelijks vooruitgang is geboekt als gevolg van een volledig gebrek aan overeenstemming en samenwerking — ook op het gebied van gender, klimaatfinanciering en de rechtvaardige transitie — ben ik mij ervan bewust dat mijn verwachtingen opnieuw te hoog waren en heb ik me vooral gestort op de nevenevenementen en bilaterale bijeenkomsten. Ik hoop alleen dat de eerder gemaakte afspraken, met name op het gebied van de mensenrechten, overeind blijven en dat we toch enige vooruitgang boeken om de zaken perfect klaar te stomen voor de COP30, waar iedereen de hoop op lijkt te hebben gevestigd.

Omdat klimaatverandering en de gevolgen ervan nauw met elkaar verbonden zijn, is het voor mij onmogelijk om de kwesties in volgorde van belangrijkheid of urgentie te rangschikken. Jongeren maken zich zorgen over hun toekomst, hun werkzekerheid en de vraag of ze zich zullen moeten omscholen; over hun huizen en gezinnen, en of ze beschermd zijn tegen stormen, overstromingen en erosie; over de gezondheid en levenskwaliteit van hun toekomstige kinderen of de generatie daarna; en over het feit dat onze generatie, wanneer wij de besluitvormers zullen zijn, voor veel moeilijkere klimaatonderhandelingen zal komen te staan, omdat er vandaag bij lange na niet genoeg actie wordt ondernomen, en de gevolgen hiervan nog tientallen jaren voelbaar zullen zijn.

We hebben nu klimaatrechtvaardigheid nodig. We hebben nu een realistische klimaatfinanciering nodig. We hebben nu een eerlijke, rechtvaardige en billijke werkgelegenheid en energietransitie nodig. We hebben nu ambitie nodig. We hebben nu implementatie nodig.

We hebben jullie nu allemaal nodig.

De COP16 over biodiversiteit, die in oktober plaatsvond in Cali (Colombia), eindigde in totale chaos en zonder overeenstemming over de financiering van natuurherstel. We vroegen Arnaud Schwartz, EESC-vertegenwoordiger tijdens de COP16, of er ondanks deze terugval reden is tot optimisme. Welke maatregelen moeten worden genomen om vooruitgang te boeken bij de bescherming van de biodiversiteit?

Arnaud Schwartz: 200 miljard dollar per jaar. Dat is het bedrag dat volgens de VN nodig zou zijn (alle soorten financiering bij elkaar opgeteld — publiek, particulier, nationaal en internationaal) om onze biodiversiteitsdoelstellingen te halen. Waar het om gaat, is dat we een einde moeten maken aan de vernietiging van de wereld van levende organismen, die momenteel in een steeds sneller tempo verdwijnen, en dat we de natuur herstellen en een kans geven om te overleven in een “leefbare” wereld, in plaats van haar ten onder te laten gaan aan hebzucht en domheid.

Hoe ziet de toekomst eruit na het mislukken van de COP16?

We zouden ons allemaal deze vraag moeten stellen en aan de mensen om ons heen moeten voorleggen, zeker nu bekend is dat alleen al in Frankrijk jaarlijks meer dan een kwart van dit bedrag wordt besteed aan oorlogvoering of de voorbereiding daarop. Wereldwijd gezien was de bijeenkomst in Cali inderdaad een gemiste kans vanwege een gebrek aan politieke wil en een gebrek aan economische solidariteit.

Maar nog niet alles is verloren.

Er schijnt nog een zwak licht aan het einde van de tunnel: na 30 jaar getouwtrek kregen inheemse volkeren, lokale gemeenschappen en mensen van Afrikaanse afkomst eindelijk erkenning voor hun rol als hoeders van de biodiversiteit, en er werd een nieuw VN-fonds opgericht, bekend als het Cali-fonds. Op lange termijn zal dit fonds worden gebruikt voor het innen van vrijwillige bijdragen van particuliere bedrijven, waarvan de helft naar bovengenoemde groepen personen gaat. Wow!

Hiermee zeggen we dus eigenlijk dat, eh...

Jullie zijn een deel van ons, en wij zijn een deel van jullie. En om door te gaan op onze gemeenschappelijke weg, zou het goed zijn om eerst onze economie weer op de rails te zetten, dat is in ons aller belang. We moeten stoppen met het ingooien van onze eigen ruiten. Dus waar wachten we nog op? Wanneer gaan we eindelijk de internationale financiële en handelsregels herzien?

De EESC-afgevaardigden naar de COP29, Peter Schmidt en Diandra Ní Bhuachalla, hebben zich vooral gefocust op klimaatfinanciering, op basis van het recente EESC-advies Klimaatfinanciering: een nieuw stappenplan om de hoge klimaatambities en de SDG’s te realiseren. Een van de belangrijkste evenementen onder leiding van het EESC in Bakoe was “Een mondiaal perspectief voor het bevorderen van een rechtvaardige transitie in de agrovoedingssector” op 18 november. Tijdens het evenement werd gekeken naar de totstandbrenging van duurzame, koolstofarme voedselsystemen die eerlijk zijn voor landbouwers, werknemers in de voedselketen en de toekomstige generaties. Het doel was de samenwerking tussen beleidsmakers en het maatschappelijk middenveld te verbeteren, de stem van het mondiale zuiden te versterken en inclusieve klimaatoplossingen voor iedereen te bevorderen.

Als lid van de EU-delegatie heeft Arnaud Schwartz deelgenomen aan verschillende vergaderingen waarin hij opriep tot meer synergieën tussen de VN-processen inzake biologische diversiteit (CBD) en klimaatverandering (UNFCCC), de geleidelijke afschaffing van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu om meer financiële middelen vrij te maken, en een actievere rol voor het maatschappelijk middenveld bij de uitvoering van het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal. Meer informatie over de bijdrage van het EESC aan de COP16 vindt u hier.

De heer Schwartz is rapporteur van het EESC-advies Een alomvattende strategie voor biodiversiteit op de COP16: alle sectoren samenbrengen met een gemeenschappelijk doel.

Op 12 november heeft het EESC in Pärnu, Estland, een conferentie over koolstofarme waterstof gehouden. Bedoeling was om strategische maatregelen voor de ontwikkeling van duurzame infrastructuur voor waterstof en waterstofderivaten te bespreken en in kaart te brengen. Daarbij lag de nadruk op de financiering en toepassing.

Op 12 november heeft het EESC in Pärnu, Estland, een conferentie over koolstofarme waterstof gehouden. Bedoeling was om strategische maatregelen voor de ontwikkeling van duurzame infrastructuur voor waterstof en waterstofderivaten te bespreken en in kaart te brengen. Daarbij lag de nadruk op de financiering en toepassing.

De conferentie over Offshore-energie voor e-brandstoffen en het stimuleren van de nieuwe waterstofeconomie werd georganiseerd door de Nederlandse ambassade in Estland, het Ontwikkelingscentrum van Pärnu, het centrum voor toegepast onderzoek Metrosert, Invest Estonia en de ontwikkelaar van de Power2X e-methanolfabriek.

Groene en koolstofarme waterstof zijn van cruciaal belang voor onze energietransitie. Initiatieven zoals de onlangs opgerichte waterstofbank van de EU hebben aangetoond dat de ontwikkeling van duurzame waterstofmarkten aan momentum wint. De besluitvormers van de EU en de lidstaten moeten de nodige middelen verschaffen om deze ambities te verwezenlijken en de samenwerking tussen de lidstaten vlotter te doen verlopen, zodat doeltreffende strategieën kunnen worden uitgewerkt.

Baiba Miltoviča, voorzitter van de afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij van het EESC: “De snelle uitrol van hernieuwbare waterstof is niet alleen essentieel voor de transformatie van het energiesysteem, maar ook voor het sociale en economische welzijn van de Europese Unie. We moeten echter verstandig omgaan met onze middelen. Om onze impact zo groot mogelijk te maken, moeten we prioriteit geven aan sectoren waar de uitstoot moeilijk te verminderen is en doeltreffende ecologische en sociale normen vaststellen die zorgen voor eerlijke en veilige arbeidsomstandigheden.” (mp)

Het EESC steunt het streven naar een meer mensgericht en toekomstbestendig industrieel ecosysteem. Tegelijkertijd dringt het aan op een grondig debat over Industrie 5.0 en de sociale en economische gevolgen daarvan.

Het EESC steunt het streven naar een meer mensgericht en toekomstbestendig industrieel ecosysteem. Tegelijkertijd dringt het aan op een grondig debat over Industrie 5.0 en de sociale en economische gevolgen daarvan.

Industrie 5.0 wil sociale en milieukwesties in bedrijfsprocessen, centraal stellen. Daarbij gaat het verder dan de nadruk van Industrie 4.0 op digitalisering en automatisering. Het EESC heeft onlangs een advies uitgebracht met als titel ‘Industrie 5.0 - Hoe het te realiseren?, waarin wordt gepleit voor een mensgericht industrieel model dat menselijke vaardigheden en creativiteit waardeert.

Industrie 4.0 heeft de gevolgen van automatisering voor de mens grotendeels over het hoofd gezien en beperkte aandacht besteed aan milieuprioriteiten zoals afvalvermindering, circulariteit en groene energie. Het EESC benadrukt dat Industrie 5.0 werk moet maken van deze lacunes en daarbij prioriteit moet geven aan democratische waarden, sociale rechtvaardigheid en duurzaam concurrentievermogen. Giuseppe Guerini, rapporteur voor het advies over Industrie 5.0, stelt dat de digitale transformatie moet bijdragen tot een ‘Nieuwe industriële schone deal’, waarin menselijke factoren en creativiteit een centrale rol vervullen.

Industrie 5.0 plaatst mensen weer in het centrum van de productie en beschouwt hun kennis en vaardigheden als essentieel voor het concurrentievoordeel. Automatisering wordt in evenwicht gebracht met menselijke creativiteit, waarbij gebruik wordt gemaakt van collaboratieve robots voor repetitieve taken, zodat werknemers zich kunnen concentreren op ontwerp, planning en klantenservice. Deze verschuiving legt ook de nadruk op de gezondheid en veiligheid van werknemers en op steun voor mensen die door automatisering hun baan zijn kwijtgeraakt.

Het EESC roept de EU-instellingen op steun te verlenen aan een toekomstbestendig, mensgericht industrieel ecosysteem dat uitgaat van sociale rechtvaardigheid en inclusief concurrentievermogen. Het EESC staat achter Industrie 5.0, maar benadrukt dat de economische, sociale en technologische gevolgen ervan verder moeten worden omschreven. Bestaand Europees beleid, zoals de Green Deal, de AI-verordening en de vaardighedenagenda, vormt de basis voor deze visie, maar moet worden aangepast aan de beginselen van Industrie 5.0

Wil Industrie 5.0 slagen, dan moeten de sociale partners en werknemers op alle niveaus worden betrokken. Deze inclusieve aanpak zal een collaboratieve werkomgeving bevorderen die de sterke punten van mens en machine combineert, waardoor werkplekken innovatiever, actiever en duurzamer worden. (gb)