Volgens Danny Jacobs, algemeen directeur van het Vlaamse milieunetwerk Bond Beter Leefmilieu (BBL) moet de EU weerstand bieden aan de lokroep van deregulering. Deregulering creëert niets dan onzekerheid voor bedrijven, verzwakt het op duurzaamheid gerichte concurrentievermogen en brengt het welzijn en vertrouwen van burgers in gevaar. Milieuorganisaties maken zich grote zorgen over het laatste voorstel van de EU om de regelgeving te vereenvoudigen. Ze vrezen dat de belangrijkste doelstellingen van de Europese Green Deal op een zijspoor zullen worden gezet.

Volgens Danny Jacobs, algemeen directeur van het Vlaamse milieunetwerk Bond Beter Leefmilieu (BBL) moet de EU weerstand bieden aan de lokroep van deregulering. Deregulering creëert niets dan onzekerheid voor bedrijven, verzwakt het op duurzaamheid gerichte concurrentievermogen en brengt het welzijn en vertrouwen van burgers in gevaar. Milieuorganisaties maken zich grote zorgen over het laatste voorstel van de EU om de regelgeving te vereenvoudigen. Ze vrezen dat de belangrijkste doelstellingen van de Europese Green Deal op een zijspoor zullen worden gezet.

Wat vindt u van de nieuwste dereguleringsinitiatieven van de Commissie, zoals het kompas voor het concurrentievermogen of het omnibuspakket?

De Europese Commissie heeft een economisch ingegeven programma van deregulering en vereenvoudiging voorgesteld dat de moeizaam bereikte resultaten op het gebied van milieu, maatschappij en economie in gevaar dreigt te brengen. De EU verkeert in een spagaat tussen aanpassing en behoud van het Europese acquis en kan daarom moeilijk een duidelijke koers uitzetten.

Eind januari heeft de Commissie het kompas voor het concurrentievermogen gepresenteerd. Daarin wordt ingegaan op de bezorgdheid van het bedrijfsleven over de energiekosten en economische uitdagingen. Belangrijke prioriteiten zoals nulverontreiniging en het welzijn van de burgers worden echter terzijde geschoven. Op deze manier lukt het niet om de Europese economie te sturen in de richting van een schone, welvarende en circulaire toekomst. Het kompas dreigt Europa op een dwaalspoor te brengen. Het promoten van concurrerende decarbonisatie zonder rekening te houden met sociale en milieudoelstellingen ondermijnt het eigenlijke doel van de EU-instellingen, namelijk het dienen en verdedigen van het algemeen welzijn.

Maatschappelijke organisaties maken zich vooral zorgen over de riskante vereenvoudigingsdoelstelling van 25 % van het kompas. Hoewel het stroomlijnen van regelgeving welkom is, kan vereenvoudiging zonder grondige effectbeoordelingen de bescherming van gezondheid, maatschappij en milieu in gevaar brengen. Innovatie in het bedrijfsleven wordt niet belemmerd door regelgeving, maar eerder door een gebrek aan duidelijke regels. Verdere deregulering zou alleen maar een klimaat van onzekerheid creëren, de pioniers - bedrijven die een voortrekkersrol spelen - benadelen en de vooruitgang en duurzame ontwikkeling op de helling zetten.

We vrezen ook dat dit streven naar vereenvoudiging ten koste zal gaan van milieu- en sociale doelstellingen. De richtlijn duurzaamheidsrapportering door bedrijven, de richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en de EU-taxonomie hebben veel tekortkomingen en gaan niet ver genoeg. Als deze richtlijnen nu nog verder worden afgezwakt, verliezen ze elke betekenis.

Een ander concreet voorbeeld illustreert de huidige situatie goed.  In Vlaanderen hebben we de voorbije jaren een enorm probleem met PFAS. Grote gebieden zijn verontreinigd door deze chemicaliën. Dit brengt de gezondheid van honderdduizenden burgers in gevaar. De meest doeltreffende manier om de risico’s van stoffen zoals PFAS in te dijken, die zowel in industriële processen als in producten (mengsels en voorwerpen) worden gebruikt, bestaat erin ze te beperken of te verbieden in het kader van de wetgeving inzake chemische stoffen (Reach). Als de Europese Commissie de Reach-verordening zou versoepelen, zou dat de blootstelling aan gevaarlijke chemische stoffen die schadelijk zijn voor de volksgezondheid vergroten. Bedrijven zouden minder verplicht zijn om naar veilige alternatieven te zoeken, wat de innovatie in duurzame chemie zou afremmen. Dit kan leiden tot meer milieuvervuiling, aangezien minder strenge regels resulteren in meer gevaarlijke lozingen en meer afval. Consumenten zouden meer risico lopen als producten niet meer zo grondig gecontroleerd worden op giftige stoffen. Als gevolg daarvan zouden Europese bedrijven achterop kunnen raken bij de wereldwijde transitie naar veiligere en milieuvriendelijkere producten en marktaandeel kunnen verliezen aan concurrenten die zich richten op toekomstbestendige innovaties.

Wat zijn uw verwachtingen voor de Green Deal nu de Commissie een nieuwe koers heeft aangekondigd om de Europese economie te stimuleren?

Het werkprogramma 2025 van de Europese Commissie is zowel veelbelovend als riskant. Hoewel de toezeggingen op het gebied van decarbonisatie en betaalbare energie aangeven dat Europa schoner en veerkrachtiger kan worden, dreigen de belangrijkste doelstellingen van de Europese Green Deal te worden verzwakt. Er is groeiende bezorgdheid over de voorgestelde omnibusverordening, die onder het mom van vereenvoudiging zou kunnen leiden tot deregulering met betrekking tot maatschappelijk ondernemen. We zien steeds vaker dat vereenvoudiging een voorwendsel is om essentiële beschermingsmaatregelen af te zwakken: van de chemicaliënwetgeving tot de landbouw. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de overhaaste hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in maart 2024, waarbij milieu- en klimaatbeschermingsmaatregelen overboord werden gegooid. Nu dreigt de langverwachte herziening van de Reach-verordening, die ooit was bedoeld om de volksgezondheid en het milieu te beschermen, te worden verpakt als een “vereenvoudigingsmaatregel” om de regels voor de industrie te versoepelen.

Nog maar een paar maanden geleden beloofde Commissievoorzitter Von der Leyen om alle doelstellingen van de Europese Green Deal te zullen respecteren. Uit het huidige werkprogramma blijkt echter het tegendeel, omdat juist de doelstellingen waar actie het meest dringend is - met name de ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen - minder prioriteit krijgen.

Denkt u dat de voorgestelde deregulering een negatief effect kan hebben op duurzaamheid en de tot nu toe geboekte vooruitgang?

De EU moet zich verzetten tegen de voortdurende drang naar deregulering, die de rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor bedrijven alleen maar zou ondergraven, het op duurzaamheid gerichte concurrentievermogen op de lange termijn zou verzwakken en het welzijn en vertrouwen van burgers zou aantasten.

De EU moet ervoor zorgen dat het terugdringen van de administratieve rompslomp niet ten koste gaat van de bescherming van het milieu en de volksgezondheid. Een intelligente implementatie moet de Europese Green Deal niet uithollen, maar juist versterken. Het verzwakken van belangrijke milieu- en sociale beschermingsmaatregelen onder het mom van minder bureaucratie is geen strategie voor economische kracht. Het is een roekeloze stap terug, waarbij juist de regels die onze economie toekomstbestendig moeten maken, worden ondermijnd. Dit alles brengt het alarmerende risico met zich mee dat een decennium van vooruitgang op het gebied van duurzaamheid ongedaan wordt gemaakt.

Tegelijkertijd staat het maatschappelijk middenveld in de hele EU onder toenemende druk nu de grondrechten worden bedreigd door beperkende wetten voor buitenlandse agenten, het hardhandige optreden tegen protesten en het snoeien in de uitgaven. Het Europees schild voor de democratie en de toekomstige EU-strategie voor het maatschappelijk middenveld moeten meer zijn dan alleen symbolische toezeggingen. Ze moeten zorgen voor wettelijke bescherming, duurzame financiering en een gestructureerde dialoog tussen het maatschappelijk middenveld en de EU-instellingen. Het werkprogramma van de Commissie moet prioriteit geven aan de bescherming van de democratie door het maatschappelijk middenveld te versterken. Zonder een onafhankelijk maatschappelijk middenveld dat over voldoende middelen beschikt, loopt de Europese democratie zelf gevaar.

Danny Jacobs is algemeen directeur van de Bond Beter Leefmilieu — BBL (een federatie van 135 Vlaamse milieuorganisaties in België) en Belgisch vertegenwoordiger bij het Europees Milieubureau (het grootste Europese netwerk van milieuorganisaties, dat ongeveer 30 miljoen leden en sympathisanten vertegenwoordigt).

Het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV), Europa's grootste vakbondsorganisatie, die 45 miljoen werknemers op Europees niveau vertegenwoordigt, heeft geweigerd het Kompas voor het concurrentievermogen, de blauwdruk van de Europese Commissie voor het stimuleren van de EU-economie, te onderschrijven. Voor het EVV is het Kompas in zijn huidige vorm niet aanvaardbaar. We spraken met de secretaris-generaal van het EVV, Esther Lynch, over de belangrijkste bezwaren van werknemers tegen het kompas en over het lot van de Europese pijler van sociale rechten in het licht van nieuwe oproepen tot drastische deregulering en een sterkere nadruk op concurrentievermogen.

Het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV), Europa's grootste vakbondsorganisatie, die 45 miljoen werknemers op Europees niveau vertegenwoordigt, heeft geweigerd het Kompas voor het concurrentievermogen, de blauwdruk van de Europese Commissie voor het stimuleren van de EU-economie, te onderschrijven. Voor het EVV is het Kompas in zijn huidige vorm niet aanvaardbaar. We spraken met de secretaris-generaal van het EVV, Esther Lynch, over de belangrijkste bezwaren van werknemers tegen het kompas en over het lot van de Europese pijler van sociale rechten in het licht van nieuwe oproepen tot drastische deregulering en een sterkere nadruk op concurrentievermogen.

Vakbonden in de EU hebben reeds hun ongenoegen geuit over de nieuwste plannen van de Europese Commissie om de economie van de EU nieuw leven in te blazen.
Wat zijn volgens u de voornaamste problemen met het Kompas voor het concurrentievermogen van de Commissie? Welke voorstellen ziet u als bijzonder problematisch?

Het grootste euvel is dat deregulering voorrang krijgt boven de investeringen die nodig zijn om hoogwaardige banen te scheppen, een sterk Europees industriebeleid te ontwikkelen en hoogwaardige openbare diensten te waarborgen. In het Kompas wordt het belang van hoogwaardige banen voor een concurrerende economie weliswaar erkend, maar in plaats van de nodige wetgeving voor te stellen om rechten te versterken, arbeidsvoorwaarden te verbeteren en collectieve onderhandelingen te stimuleren, worden deze doelstellingen ondermijnd door in te zetten op deregulering, wat kan leiden tot slechtere arbeidsomstandigheden en baanonzekerheid.

Een van de meest zorgwekkende voorstellen is de invoering van de 28e vennootschapsregeling, die ondernemingen in staat zou stellen buiten de nationale arbeidswetgeving te opereren. Dit zou de arbeidswetgeving in heel Europa ernstig kunnen ondermijnen, met als gevolg een neerwaartse spiraal op het gebied van de rechten en bescherming van werknemers.

Evenzo is een verbod op “gold-plating” — het vermogen van regeringen om wetgeving vast te stellen die verder gaat dan de minimumnormen van EU-richtlijnen — zeer problematisch. Het idee achter EU-richtlijnen, in tegenstelling tot EU-verordeningen, is dat in richtlijnen minimumnormen voor alle landen worden vastgesteld. Door te stellen dat niet verder mag worden gegaan dan minimumnormen, wordt niet alleen het idee hierachter op losse schroeven gezet; ook zou dit zeer nadelig uitvallen voor werkenden en leiden tot de vernietiging van hard bevochten vooruitgang op het gebied van onder meer gezondheidszorg, onderwijs, gezondheid en veiligheid op het werk en een eerlijk loon.

Daarnaast is de oproep van het Kompas om pensioenhervormingen door te voeren op basis van een langer beroepsleven problematisch, aangezien het werknemers onnodig belast zonder te voorzien in de behoefte aan houdbare en eerlijke pensioenstelsels.

Verder is het Kompas sterk gericht op voordelen voor bedrijven, met talrijke beloften aan bedrijfsgroepen, zonder concrete toezeggingen met betrekking tot wetgeving die ten goede zou komen aan werkenden. Zo is er onder meer een gebrek aan maatregelen om ervoor te zorgen dat overheidsinvesteringen worden gebruikt om hoogwaardige banen te scheppen in plaats van alleen maar de bedrijfswinsten te verhogen.

Kortom, het Kompas voor het concurrentievermogen biedt geen evenwicht tussen de behoeften van bedrijven en de rechten en het welzijn van werknemers, waardoor het voorstel in zijn huidige vorm onaanvaardbaar is.

Kan de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten hiermee in gevaar komen?

Op papier heeft de Commissie zich in haar onlangs gepubliceerde werkprogramma voor 2025 opnieuw gecommitteerd aan de Europese pijler van sociale rechten. In de praktijk is datzelfde werkprogramma echter het eerste sinds 2019 waarin geen enkel sociaal wetgevingsinitiatief te vinden is.

Daarentegen heeft de Commissie voor 2025 acht wetgevingsteksten in verband met “vereenvoudiging” voorgesteld. Niemand wordt graag overstelpt met administratieve lasten, en vakbonden stellen hiervoor actief oplossingen voor, bijvoorbeeld regels inzake overheidsopdrachten.

Het is echter duidelijk dat de problemen waar Europa voor staat niet opgelost zullen worden door vereenvoudiging.

De grootste bedreiging voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten is de golf van massale ontslagen die in heel Europa wordt aangekondigd. Dit brengt lonen en werkzekerheid in gevaar, maar ook pensioenen, sociale bescherming en veel andere beginselen van de pijler.

Er moet worden gezorgd voor investeringen om hoogwaardige banen te beschermen en te creëren — onder meer door middel van een SURE 2.0-instrument en een sterk EU-investeringsmechanisme —, en de nodige wetgevingsinitiatieven moeten worden genomen om hoogwaardige banen te waarborgen.

Als het verminderen van de regeldruk niet de juiste manier is, wat kan de EU dan wél doen om haar positie in de huidige mondiale economische context te versterken?

De ontslagen zijn vooral het gevolg van een gebrek aan investeringen, zowel publiek als particulier.

Veeleer dan te investeren in het loon van werknemers en broodnodig onderzoek en ontwikkeling, hebben bedrijven voorrang gegeven aan dividenduitkeringen en de terugkoop van aandelen, wat technologische ontwikkelingen in Europa in de weg staat.

De afgelopen jaren hebben de VS en China grote overheidsinvesteringen op gang gebracht. Ondertussen was de EU druk bezig met het aannemen van nieuwe regels die haar lidstaten dwongen tot bezuinigingen.

De EU moet dringend van koers veranderen. Grootschalige overheidsinvesteringen — met sociale vereisten om ervoor te zorgen dat deze investeringen hoogwaardige banen opleveren — zijn een voorwaarde voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten.

Esther Lynch is secretaris-generaal van het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV). Zij heeft uitgebreide vakbondservaring op Iers, Europees en internationaal niveau en was zowel plaatsvervangend secretaris-generaal als confederaal secretaris bij het EVV. In haar functies gaf zij leiding aan inspanningen om de rechten van werknemers en vakbonden te versterken, door invloed uit te oefenen op belangrijke richtlijnen inzake toereikende minimumlonen, transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden en klokkenluiders. Ook leidde zij campagnes voor de Europese pijler van sociale rechten en voor billijke beloning. Met haar werk zorgde zij voor 15 wettelijk bindende blootstellingslimieten voor kankerverwekkende stoffen, en faciliteerde zij overeenkomsten tussen sociale partners over digitalisering en reprotoxische stoffen. Esther is al haar hele leven feministe en ijvert ervoor dat er een einde komt aan de onderwaardering van werk dat voornamelijk door vrouwen wordt verricht.

Het EVV vertegenwoordigt 45 miljoen leden van 94 vakbondsorganisaties in 42 Europese landen, plus 10 Europese vakbondsfederaties.

De rapporten van Mario Draghi en Enrico Letta uit 2024 hebben heel wat stof doen opwaaien in de EU en haar lidstaten en zijn richtinggevend geworden voor de koers die Europa moet varen om een levensvatbare toekomst te waarborgen. In zijn advies Evaluatie van de rapporten van Letta en Draghi over de werking en het concurrentievermogen van de eengemaakte markt van de EU beschrijft het EESC het perspectief van het maatschappelijk middenveld op de rapporten en formuleert het aanbevelingen voor dringende maatregelen. Wij hebben de drie rapporteurs van het advies (Matteo Carlo Borsani, Giuseppe Guerini en Stefano Palmieri) gevraagd om nader in te gaan op de voorstellen uit de rapporten die zij van bijzonder belang achten voor de toekomstige welvaart van de EU.

De rapporten van Mario Draghi en Enrico Letta uit 2024 hebben heel wat stof doen opwaaien in de EU en haar lidstaten en zijn richtinggevend geworden voor de koers die Europa moet varen om een levensvatbare toekomst te waarborgen. In zijn advies Evaluatie van de rapporten van Letta en Draghi over de werking en het concurrentievermogen van de eengemaakte markt van de EU beschrijft het EESC het perspectief van het maatschappelijk middenveld op de rapporten en formuleert het aanbevelingen voor dringende maatregelen. Wij hebben de drie rapporteurs van het advies (Matteo Carlo Borsani, Giuseppe Guerini en Stefano Palmieri) gevraagd om nader in te gaan op de voorstellen uit de rapporten die zij van bijzonder belang achten voor de toekomstige welvaart van de EU.

Concurrentievermogen lijkt tegenwoordig het gesprek van de dag te zijn, en deregulering wordt beschouwd als het toverwoord dat Europa in één klap op de kaart kan zetten als een van de grote spelers in de wereldeconomie. Er zijn echter tal van manieren om concurrentievermogen te meten en er is geen pasklaar antwoord op de vraag hoeveel regulering te veel is. Als het debat over concurrentievermogen en deregulering niet met de nodige omzichtigheid wordt gevoerd, dreigt het te verzanden in al te simplistisch zwart-witdenken dat een solide economisch beleid in de weg kan staan, zo schrijft onze gast Karel Lannoo, CEO van het Centrum voor Europese Beleidsstudies (CEPS).

Concurrentievermogen lijkt tegenwoordig het gesprek van de dag te zijn, en deregulering wordt beschouwd als het toverwoord dat Europa in één klap op de kaart kan zetten als een van de grote spelers in de wereldeconomie. Er zijn echter tal van manieren om concurrentievermogen te meten en er is geen pasklaar antwoord op de vraag hoeveel regulering te veel is. Als het debat over concurrentievermogen en deregulering niet met de nodige omzichtigheid wordt gevoerd, dreigt het te verzanden in al te simplistisch zwart-witdenken dat een solide economisch beleid in de weg kan staan, zo schrijft onze gast Karel Lannoo, CEO van het Centrum voor Europese Beleidsstudies (CEPS).

Karel Lannoo is CEO van CEPS, een van Europa's toonaangevende onafhankelijke denktanks. Hij is gespecialiseerd in financiële regelgeving, Europese economische governance en de eengemaakte markt. Tot zijn recente publicaties behoren “Europa begrijpen”, een taskforceverslag over beleid inzake de financiële sector voor de Commissie Von der Leyen II, en diverse bijdragen aan academische publicaties en tijdschriften. Karel spreekt regelmatig op hoorzittingen van Europese, nationale en internationale instellingen en op internationale conferenties en opleidingsprogramma's voor managers. Hij leidt studies voor nationale overheden, multilaterale organisaties en de particuliere sector. Artikelen van zijn hand verschijnen regelmatig in de media. Daarnaast is Karel bestuurslid van diverse ondernemingen en stichtingen en lid van adviesraden, waaronder de Commissie Kapitaalmarkt van de AFM, de toezichthouder op de kapitaalmarkten.

door Karel Lannoo

Het is tegenwoordig erg in zwang om te klagen over het gebrek aan Europees concurrentievermogen en te pleiten voor grootschalige deregulering op EU-niveau. Maar het antwoord op de vraag of de economische situatie echt problematisch is, hangt af van de definitie van concurrentievermogen, de gebruikte indicator en de benchmark, en natuurlijk de omstandigheden.

door Karel Lannoo

Het is tegenwoordig erg in zwang om te klagen over het gebrek aan Europees concurrentievermogen en te pleiten voor grootschalige deregulering op EU-niveau. Maar het antwoord op de vraag of de economische situatie echt problematisch is, hangt af van de definitie van concurrentievermogen, de gebruikte indicator en de benchmark, en natuurlijk de omstandigheden.

Bovendien wordt concurrentievermogen gelijkgesteld aan deregulering, wat onjuist is: een massale vereenvoudiging is niet de oplossing. Om het overwicht te behouden is het dan ook zaak de juiste parameters te gebruiken; we moeten vermijden dat het debat ontspoort en de bal in het eurosceptische kamp terechtkomt.

Concurrentievermogen als beleidsdoelstelling is terug van nooit weggeweest – het is belangrijk het verleden niet uit het oog te verliezen. Met de Lissabon-strategie, formeel aangenomen door de Europese Raad van Lissabon in maart 2000, heeft de Unie zichzelf de strategische doelstelling opgelegd om “de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld (te) worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang”. Al tijdens de Delors-jaren was concurrentievermogen een punt van zorg voor de Europese Commissie – interessant in dit verband is het bekende artikel van Paul Krugman uit 1994, die de woorden “een gevaarlijke obsessie” in de mond nam. Jacques Delors maakte zich destijds zorgen over de toenemende Europese werkloosheid, tegen de achtergrond van de concurrentie van de VS en Japan, en stelde als oplossing een programma van investeringen in infrastructuur en hightech voor. Niets nieuws onder de zon dus.

Ook de vereenvoudiging van de wetgeving staat al sinds jaar en dag op de agenda. Het SLIM-initiatief (Eenvoudiger regelgeving voor de interne markt) ging al van start in 1996, toen de EU nog 15 lidstaten telde. Commissaris Charles McCreevy (2004-2009) was in de periode 2005- 2006 voorstander van regelgevingspauzes, totdat de financiële crisis toesloeg. Vicevoorzitter Frans Timmermans werd onder de Commissie Juncker belast met de uitwerking van een programma voor betere regelgeving. Hoe prijzenswaardig al deze plannen ook waren, het zou beter zijn om de onderliggende oorzaken van de complexiteit van de regelgeving aan te pakken – het besluitvormingsproces en de povere handhaving – in plaats van alleen de symptomen te bestrijden. Dat is met 27 lidstaten evenwel geen sinecure.

Concurrentievermogen, althans zoals omschreven in het rapport-Draghi, gaat meer over productiviteit en groei van het bbp, die afhankelijk van de indicator sterk verschillende resultaten kunnen opleveren. Maar er zijn ook andere manieren om concurrentievermogen te meten. Zo zou je kunnen kijken naar het interne versus het externe concurrentievermogen. Intern lijkt de EU zwak, met een dalende productiviteit in vergelijking met de VS. Extern echter heeft de EU een overschot op haar handelsbalans en lopende rekening, terwijl de VS te kampen hebben met een enorm tekort op hun handelsbalans en lopende rekening – en toch lijkt dit geen probleem te zijn (behalve dan voor president Trump).

Daarnaast is de begrotingssituatie in de EU veel beter dan in de VS of zelfs Japan; voor een juiste vergelijking met China ontbreken de gegevens. Het begrotingstekort van de EU bedroeg in 2024 ongeveer 3,5 % van het bbp, terwijl dat in de VS bijna twee keer zoveel was (6,4 %). Dankzij de mondiale positie van de dollar kunnen de VS dit tekort financieren op de internationale markten, hoewel de rentetarieven op de middellange termijn in de EU en de VS uiteenlopen, wat duidt op bezorgdheid van de markt over de Amerikaanse economie. Op dit moment bedraagt de marktrente voor leningen in USD met een looptijd van zes maanden 4,8 %, terwijl deze in de eurozone 2,5 % bedraagt (Euribor).

Bovendien liggen de energieprijzen in de EU sinds medio 2021, toen Poetin de prijzen begon te manipuleren, veel hoger dan in de VS, wat het concurrentievermogen van de verwerkende industrie, met name in Duitsland, aantast. Vandaag de dag liggen de energiekosten in de EU minstens 50 % hoger dan in de VS.

Het energiebeleid is een ander goed voorbeeld voor het debat over regelgeving: is te veel regelgeving echt het probleem? Het tegendeel is waar: er is een eengemaakte markt voor de distributie van energie, maar niet voor de productie, die in handen van de lidstaten blijft. Dit zorgt voor problemen in landen met overproductie, zoals Zweden, omdat de energietekorten in andere landen, waaronder Duitsland, de prijzen opdrijven.

Bovendien is het zeer de vraag of de afwezigheid van regelgeving in bijvoorbeeld de digitale sector beter zou zijn. Willen we vrije meningsuiting op zijn Amerikaans, zonder contentmoderatie? Willen we een oligopolistische markt zoals we die nu hebben?

Deze korte beschouwing wil duidelijk maken dat de problematiek van concurrentievermogen en deregulering uiterst omzichtig moet worden benaderd om te voorkomen dat een en ander ontaardt in een zwart-wit discussie, die een gezond economisch beleid in de weg zou kunnen staan.

Door Stefano Palmieri
EESC-groep Werknemers

De verslagen van Letta en Draghi komen op veel punten overeen, maar hun analyses en voorgestelde strategieën verschillen aanzienlijk.

Door Stefano Palmieri
EESC-groep Werknemers

De verslagen van Letta en Draghi komen op veel punten overeen, maar hun analyses en voorgestelde strategieën verschillen aanzienlijk.

Dit is bijvoorbeeld het geval met het cohesiebeleid. In het Lettta-verslag wordt gesteld dat dit een cruciale rol speelt omdat het ervoor zorgt dat alle burgers en regio’s in de Unie profiteren van de voordelen van de interne markt. Ook het verband tussen het cohesiebeleid en de diensten van algemeen belang wordt erin benadrukt. Deze zorgen ervoor dat Europeanen kunnen leven en werken waar ze willen. Draghi daarentegen hecht in zijn verslag niet al te veel belang aan het cohesiebeleid en de sociale en territoriale dimensie van het concurrentievermogen. Hij gaat in op het Europese concurrentievermogen zonder rekening te houden met territoriale verschillen, waarmee hij eigenlijk zegt dat regionale problemen kunnen worden opgelost door simpelweg het algehele concurrentievermogen van de EU te versterken. Dit gaat voorbij aan het feit dat in veel regio’s een laag concurrentievermogen en een territoriale achterstand twee kanten van dezelfde medaille zijn.

In beide verslagen wordt erkend dat “business as usual” niet langer een optie is. Het acute en complexe karakter van de huidige crises maakt een grondige verschuiving in de Europese beleidsvorming noodzakelijk, mogelijk zelfs door middel van verdragswijzigingen. Kunnen we echt over uitbreiding praten zonder het te hebben over de noodzaak van verdergaande politieke integratie? Bij zo'n verschuiving is ook een schaalwijziging nodig. Het huidige meerjarig financieel kader (MFK), dat iets meer dan 1% van het bni van de EU bedraagt, is ontoereikend en wordt beperkt door de achterhaalde logica van evenredige compensatie (“juste retour”). Er is een nieuwe aanpak nodig, geïnspireerd op het Next Generation EU-model. Uitzonderlijke uitdagingen vragen om gedurfde oplossingen, waaronder de uitgifte van “gemeenschappelijke veilige activa”, zoals tijdens de pandemie.

Het volgende MFK 2028-2034 zal uitwijzen wat de werkelijke bedoelingen van de EU zijn, aangezien daarin de prioriteiten voor de komende zeven jaar worden vastgesteld. Met alle crises die aan de gang zijn, is het logisch dat er een open debat moet worden gevoerd over de uitdagingen waarmee de EU te maken heeft, maar ook over haar belangrijkste doelstellingen en de gemeenschappelijke Europese goederen die zij haar burgers wil bieden.

Wat betreft de hervorming van de regelgeving die in beide verslagen wordt aanbevolen, mag niet worden vergeten dat de EU ‘s werelds meest geavanceerde “sociale markteconomie” is. Haar hoge economische, sociale en milieunormen zijn doorslaggevend voor het succes van dit model en staan het dus niet in de weg. Daarom is de EU-regelgeving niet te vergelijken met die van de VS of China. Bij elke poging om de EU-regels te vereenvoudigen moeten arbeidsomstandigheden, veiligheid van werknemers, consumentenrechten, sociale en economische cohesie en duurzame groei nog wel steeds worden gewaarborgd.

Europa heeft (zij het wat laat) ingezien dat het niet langer voldoende is om één grote markt te zijn. Om vooruit te komen moet de EU streven naar meer eenheid, met diepere politieke integratie en een echt consistent economisch, industrieel, handels-, buitenlands en defensiebeleid. De komende maanden zullen bepalend zijn voor de toekomst van Europa.

Door Giuseppe Guerini
, groep Maatschappelijke Organisaties van het EESC

Vorig jaar vroegen de Europese Commissie en de Europese Raad Mario Draghi en Enrico Letta verslagen op te stellen over respectievelijk het concurrentievermogen van de EU en de verbetering van de eengemaakte markt. Deze verslagen bevatten een ambitieuze politieke agenda voor de Europese Unie, die dient als routekaart en als ijkpunt ter beoordeling van de inzet en het vermogen van instellingen en beleidsmakers om de toekomst van de EU vorm te geven.

Door Giuseppe Guerini
, groep Maatschappelijke Organisaties van het EESC

Vorig jaar vroegen de Europese Commissie en de Europese Raad Mario Draghi en Enrico Letta verslagen op te stellen over respectievelijk het concurrentievermogen van de EU en de verbetering van de eengemaakte markt. Deze verslagen bevatten een ambitieuze politieke agenda voor de Europese Unie, die dient als routekaart en als ijkpunt ter beoordeling van de inzet en het vermogen van instellingen en beleidsmakers om de toekomst van de EU vorm te geven.

De verslagen Draghi en Letta bieden een graadmeter voor de mate waarin instellingen en leiders doeltreffend reageren op de complexe uitdagingen van vandaag.

Het advies dat het EESC over deze verslagen heeft opgesteld is een waardevol instrument om de eerste stappen in de nieuwe beleidscyclus te evalueren. De eerste stap is het op 29 januari door de Europese Commissie uitgebrachte Kompas voor het concurrentievermogen. Daarin staan verschillende hoogprioritaire voorstellen die ook in ons advies aan bod komen, teneinde de concurrentiekloof te dichten, de eengemaakte markt te voltooien, de regelgeving te vereenvoudigen zonder deregulering en te erkennen dat het concurrentievermogen afhangt van mensen en vaardigheden.

Los van de vaststelling dat de EU met een concurrentiekloof kampt, is er echter nog een ander euvel: het gebrek aan concrete maatregelen. Tot dusver heeft de Commissie strategische documenten, mededelingen en toezeggingen gepresenteerd, maar tastbare maatregelen laten nog maanden op zich wachten. Zoals wij in ons advies hebben opgemerkt, moeten de EU-instellingen en de lidstaten daarom ook een debat op gang brengen over de fundamentele regels van de EU en de relevantie van de huidige Verdragen voor het aangaan van de uitdagingen van vandaag, die urgente actie vereisen.

Snel handelen mag niet betekenen dat wordt ingeboet aan kwaliteit. Dat dit mogelijk is, heeft de Europese Commissie in 2020 laten zien toen zij NextGenerationEU op korte tijd optuigde. Vandaag zou de Commissie dezelfde voortvarendheid aan de dag moeten leggen,

op basis van een veelzijdige aanpak: een snelle voltooiing van de eengemaakte markt is cruciaal, maar moet hand in hand gaan met een sterke inzet voor ecologische duurzaamheid, economische welvaart en sociale en territoriale cohesie. Dit zijn immers belangrijke aanjagers van het concurrentievermogen.

Een dergelijke visie vraagt ook om een samenhangend industriebeleid, ondersteund door strategische fiscale en douanestimulansen, dat gefragmenteerde nationale benaderingen overstijgt. Tegelijkertijd is het van essentieel belang de bureaucratische lasten en nalevingskosten te verminderen door middel van slimmere regelgeving en gestroomlijnde administratieve procedures, ten behoeve van een dynamischer ondernemingsklimaat.

In de energiesector is het cruciaal dat de prijsverschillen tussen de lidstaten en in vergelijking met andere wereldeconomieën worden verkleind. Dit vereist meer investeringen in hernieuwbare energie, om te zorgen voor een meer concurrerende en duurzame energiemarkt.

Om deze ambities te ondersteunen, moet de EU ook een gemeenschappelijk beleid inzake Europese collectieve goederen ontwikkelen waarin haar strategische prioriteiten duidelijk worden omschreven en waarmee haar rol op het wereldtoneel wordt versterkt.

Het EESC zal de uitvoering van dit beleid blijven volgen en ervoor zorgen dat de stem van het Europese maatschappelijk middenveld wordt gehoord en in aanmerking wordt genomen.

Door Matteo Carlo Borsani
EESC-groep Werkgevers

De eerste en belangrijkste aanbeveling uit het advies van het EESC is om de aanbevelingen uit de rapporten van Letta en Draghi met spoed ten uitvoer te leggen. Ik ben van mening dat dit op een alomvattende manier moet gebeuren: we mogen niet slechts de krenten uit de pap halen. De rapporten moeten in hun geheel worden geïmplementeerd, zonder er alleen de voorstellen uit te pikken die in ons straatje passen, en zonder de meest kritieke en netelige kwesties, zoals investeringen, uit de weg te gaan. 

Door Matteo Carlo Borsani
EESC-groep Werkgevers

De eerste en belangrijkste aanbeveling uit het advies van het EESC is om de aanbevelingen uit de rapporten van Letta en Draghi met spoed ten uitvoer te leggen. Ik ben van mening dat dit op een alomvattende manier moet gebeuren: we mogen niet slechts de krenten uit de pap halen. De rapporten moeten in hun geheel worden geïmplementeerd, zonder er alleen de voorstellen uit te pikken die in ons straatje passen, en zonder de meest kritieke en netelige kwesties, zoals investeringen, uit de weg te gaan. 

Het rapport-Draghi legt duidelijk de nadruk op het concurrentievermogen van de EU als geheel, en ik acht zijn aanbevelingen over het industriebeleid van de EU dan ook van cruciaal belang. Draghi pleit met name voor een industriebeleid waarmee de huidige gefragmenteerde aanpak kan worden overwonnen. Vandaag de dag hebben de 27 lidstaten ieder hun eigen industriebeleid en zitten zij niet altijd op één lijn. Een gezamenlijke Europese inspanning zou de enige manier zijn om de eengemaakte markt te laten profiteren van een dynamisch geheel van fiscale, regelgevende, handels- en douanemaatregelen en financiële prikkels die kenmerkend zijn voor het meest recente industriebeleid van de VS en China.

Dit moet echter hand in hand gaan met een drastische vermindering van de bureaucratische lasten voor bedrijven, zoals Letta terecht aanbeveelt in zijn pleidooi voor “een snelle en vergaande interne markt”. Letta pleit onder meer voor het stroomlijnen van de bureaucratische lasten, het vereenvoudigen van administratieve procedures en andere maatregelen om de administratieve rompslomp te verminderen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s). In dit verband toont het EESC zich in zijn advies ingenomen met het voorstel van de Commissie om de rapportagelast voor alle bedrijven met 25 % te verminderen en voor kmo’s met ten minste 50 %. Daarnaast is het EESC, voortbordurend op de aanbeveling van Letta om na te denken over een mechanisme dat de medewetgevers zal helpen bij een dynamische effectbeoordeling (DIA), een groot voorstander van het idee om tijdens de wetgevingsprocedure een concurrentievermogenstoets uit te voeren.

Nu de werkplek door artificiële intelligentie verandert, is het van cruciaal belang om op mensgerichte AI te blijven inzetten en te blijven pleiten voor beleid waarbij een sterke ontwikkeling van AI in Europa hand in hand gaat met sociale rechtvaardigheid en werknemersrechten, zo werd tijdens een debat op hoog niveau in het EESC betoogd.

Nu de werkplek door artificiële intelligentie verandert, is het van cruciaal belang om op mensgerichte AI te blijven inzetten en te blijven pleiten voor beleid waarbij een sterke ontwikkeling van AI in Europa hand in hand gaat met sociale rechtvaardigheid en werknemersrechten, zo werd tijdens een debat op hoog niveau in het EESC betoogd.

Tijdens zijn zitting van januari hield het EESC een debat over het gebruik van artificiële intelligentie op de werkplek, met onder meer verklaringen van EESC-voorzitter Oliver Röpke, Roxana Mînzatu, uitvoerend vicevoorzitter van de Europese Commissie, en Katarzyna Nowakowska, viceminister van Gezinszaken, Arbeid en Sociaal Beleid van Polen.

Bij de opening van het debat zei de heer Röpke: “Artificiële intelligentie is een van de meest transformerende ontwikkelingen van onze tijd, die enorme mogelijkheden biedt, maar ook kritieke uitdagingen met zich meebrengt." En later: "In het debat van vandaag is er opnieuw op gewezen hoe belangrijk het is dat het AI-beleid stevig verankerd wordt in de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten.

Mevrouw Mînzatu: “Wanneer we nadenken over AI, met name op de werkplek, moeten we kijken hoe we onze investeringen in onderzoek en innovatie een impuls kunnen geven en hoe Europese bedrijven zich gemakkelijker zouden kunnen ontwikkelen op dit gebied, zodat we straks onze eigen technologieën hebben en die kunnen trainen met Europese gegevens en op basis van Europese waarden. Trouw aan onze waarden op het gebied van sociale rechten en gelijkheid zorgen we ervoor dat Europese werknemers dezelfde rechten hebben in een wereld met of zonder AI — dat zij worden beschermd en dat door mensen controles worden uitgevoerd.”

Mevrouw Nowakowska verklaarde dat artificiële intelligentie in de arbeidswereld enorme kansen biedt om de productiviteit en het concurrentievermogen van bedrijven te verhogen, maar plaatste ook een aantal kanttekeningen bij de mogelijke gevolgen ervan voor banen en werkgelegenheid, de gezondheid en veiligheid van werknemers, arbeidsomstandigheden, de algehele kwaliteit van banen en de rol van de sociale dialoog.

Goedkeuring van het advies over artificiële intelligentie ten dienste van werknemers en het bijgevoegde tegenadvies

Na het plenaire debat hechtte het EESC zijn goedkeuring aan het initiatiefadvies Artificiële intelligentie ten dienste van werknemers: hefbomen voor het benutten van het potentieel en het beperken van de risico’s van AI in verband met het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid, opgesteld door rapporteur Franca Salis-Madinier. Het advies werd goedgekeurd met 142 stemmen voor en 103 stemmen tegen, bij 14 onthoudingen. De groep Werkgevers van het EESC, die een tegenadvies had ingediend, onthield haar steun voor het advies.

In het advies benadrukt het EESC dat de sociale dialoog en de inbreng van werknemers een cruciale rol spelen bij het behoud van de grondrechten van werknemers en het bevorderen van “betrouwbare” AI in de arbeidswereld. Het wijst er daarnaast op dat de lacunes in de bescherming van de rechten van werknemers (op de werkplek) met de huidige regelgeving moeten worden aangepakt en dat ervoor gezorgd moet worden dat de mens de baas blijft in alle wisselwerkingen tussen mens en machine.

Het tegenadvies van de groep Werkgevers is als bijlage bij het advies gevoegd. De leden van de groep voeren daarin aan dat de EU nu al over de instrumenten beschikt om de AI-revolutie te omarmen en dat met het bestaande rechtskader een vlotte uitrol van AI gewaarborgd is. (lm)

Artificiële intelligentie verandert de arbeidswereld in een ongekend tempo en brengt voor werknemers, bedrijven en beleidsmakers zowel kansen als uitdagingen met zich mee. Op 3 februari hielden het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) een gezamenlijke conferentie op hoog niveau onder de titel ‘Sociale rechtvaardigheid in het digitale tijdperk – de impact van AI op werk en samenleving'.

Artificiële intelligentie verandert de arbeidswereld in een ongekend tempo en brengt voor werknemers, bedrijven en beleidsmakers zowel kansen als uitdagingen met zich mee. Op 3 februari hielden het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) een gezamenlijke conferentie op hoog niveau onder de titel ‘Sociale rechtvaardigheid in het digitale tijdperk – de impact van AI op werk en samenleving'.

Op de conferentie op hoog niveau beraadslaagden prominente leiders — onder wie verschillende EU-ministers van werkgelegenheid — over strategieën om de mogelijkheden van AI te benutten en tegelijkertijd de risico’s voor de rechten van werknemers en de arbeidsmarkten aan te pakken. Dit evenement vormde een belangrijke bijdrage aan de wereldwijde coalitie voor sociale rechtvaardigheid: er werd benadrukt dat op zowel Europees als mondiaal niveau een gecoördineerde AI-governance nodig is. Deze conferentie op hoog niveau was gezamenlijk georganiseerd door de EESC-afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap (SOC) en de IAO.

Oproep tot een ethische en inclusieve ontwikkeling van AI

Bij de opening van de conferentie onderstreepte EESC-voorzitter Oliver Röpke de dringende noodzaak van een mensgerichte benadering van AI: Artificiële intelligentie verandert onze samenlevingen en arbeidsmarkten nu al en brengt zowel kansen als uitdagingen met zich mee. Het EESC en zijn partnerorganisaties zijn vastbesloten om ervoor te zorgen dat AI een impuls geeft aan sociale rechtvaardigheid door de rechten van werknemers te versterken, inclusie te bevorderen en nieuwe ongelijkheden te voorkomen. Wil AI in de toekomst eerlijk en mensgericht zijn, dan zijn er collectieve maatregelen — van beleidsmakers, desociale partners en het maatschappelijk middenveld — nodig om ervoor te zorgen dat de technologie in hun voordeel en niet in hun nadeel werkt.

Gilbert F. Houngbo, directeur-generaal van de IAO, benadrukte het belang van proactief beleid om het ontwrichtende effect van AI op banen en werkplekken te beperken: We moeten AI zo vormgeven dat zij meer sociale rechtvaardigheid oplevert. Daarvoor zijn verschillende maatregelen nodig: werknemers ondersteunen, onder meer met opleidingen en sociale bescherming; bedrijven ongeacht hun omvang en overal ter wereld gemakkelijker toegang bieden tot AI-technologie om productiviteitsvoordelen te benutten; en ervoor zorgen dat bij de integratie van AI op de werkplek de rechten van werknemers beschermd worden en de sociale dialoog ruim baan krijgt in de digitale transitie.

Tijdens twee panels vertelden sprekers op hoog niveau over de uitdagingen en kansen die ze ervaren wanneer ze met behulp van AI proberen fatsoenlijk werk en inclusieve arbeidsmarkten te bevorderen en bij te dragen tot gendergelijkheid in de komende jaren. Tot de panelleden behoorden onder anderen de EU-ministers van Arbeid Agnieszka Dziemianowicz-Bąk (Polen), Yolanda Díaz (Spanje),Níki Keraméos (Griekenland) en Maria do Rosário Palma Ramalho (Portugal), alsook Anousheh Karvar, de afgevaardigde van de Franse regering bij de IAO en de G7-G20.

Tijdens de besprekingen werd benadrukt dat er weliswaar een risico kleeft aan de uitrol van AI, maar dat er geen reden is om ons daarom als 19e-eeuwse Engelse textielarbeiders tegen deze nieuwe technologie te verzetten. Wel moet goed worden gekeken naar de sociale dialoog en dienen werknemers te worden betrokken bij de uitrol van AI, met extra aandacht voor om- en bijscholing. Een correcte, gecontroleerde uitrol en regulering van AI zal grote schokken helpen voorkomen en ervoor zorgen dat deze technologie repetitieve taken kan verminderen, zonder dat dit per se gepaard hoeft te gaan met grootschalige ontslagrondes. (lm)