door de EESC-groep Maatschappelijke Organisaties

Tussen 2010 en 2022 zijn de huizenprijzen in de EU met 47 % gestegen en de huurprijzen met 18 %. Eurostat heeft berekend dat in 2023 meer dan 10 % van de huishoudens in steden en 7 % van de huishoudens in plattelandsgebieden meer dan 40 % van hun beschikbare inkomen aan huisvesting heeft besteed. Het EESC wilde nagaan hoe we huisvesting voor alle Europeanen betaalbaarder en duurzamer kunnen maken en heeft daarom een studie besteld waarin wordt onderzocht wat het beleid hieraan kan doen. In dit interview bespreken de coauteurs van de studie, econoom Agnieszka Maj en Karolina Zubel, directeur Milieu, Energie en Klimaatverandering van het Centrum voor Sociaal en Economisch Onderzoek (CASE), de belangrijkste bevindingen.

 

door de EESC-groep Maatschappelijke Organisaties

Tussen 2010 en 2022 zijn de huizenprijzen in de EU met 47 % gestegen en de huurprijzen met 18 %. Eurostat heeft berekend dat in 2023 meer dan 10 % van de huishoudens in steden en 7 % van de huishoudens in plattelandsgebieden meer dan 40 % van hun beschikbare inkomen aan huisvesting heeft besteed. Het EESC wilde nagaan hoe we huisvesting voor alle Europeanen betaalbaarder en duurzamer kunnen maken en heeft daarom een studie besteld waarin wordt onderzocht wat het beleid hieraan kan doen. In dit interview bespreken de coauteurs van de studie, econoom Agnieszka Maj en Karolina Zubel, directeur Milieu, Energie en Klimaatverandering van het Centrum voor Sociaal en Economisch Onderzoek (CASE), de belangrijkste bevindingen.

Waar gaat deze EESC-studie precies over en waarom is dit van belang?

Deze studie over betaalbare en duurzame huisvesting in de EU onderzoekt de behoefte aan betaalbare en duurzame huisvesting in de EU en licht de rol toe van digitalisering (AI, digitale bouwvergunningen, relevante databases) en structuren van de sociale economie. Aan de hand van casestudies worden vernieuwende initiatieven besproken om de betaalbaarheid, toegankelijkheid en duurzaamheid van huisvesting te verbeteren. De studie geeft aanbevelingen voor maatregelen tot 2030 en 2050 die aansluiten bij de EU-doelstellingen van klimaatbestendigheid, sociale gelijkheid en economische groei. Ze biedt strategische inzichten om het huisvestingsbeleid aan te passen aan de veranderende uitdagingen en tegelijkertijd het welzijn van de bevolking te bevorderen.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen van de studie?

Dankzij de digitalisering kunnen de planning, de bouw en het beheer van woningen efficiënter, goedkoper en duurzamer worden. Vooralsnog zijn die kostenbesparingen beperkt gebleven. Als digitale vernieuwingen niet worden opgepikt, is dat vooral te wijten aan de traditionele manier van denken van belanghebbenden, het vermeende lage rendement op investeringen, de hoge implementatiekosten en het gebrek aan stimulansen, opleiding en regelgeving. Om het potentieel van digitalisering volledig te benutten, zijn meer investeringen in digitale infrastructuur erg belangrijk, bijvoorbeeld door digitale platforms interoperabel te maken.

Het inschakelen van organisaties uit de sociale economie (woningcorporaties met een beperkt winstoogmerk, organisaties van algemeen nut, coöperaties) is een veelbelovende beleidsinnovatie waarmee de huidige uitdagingen in de huisvestingssector kunnen worden aangepakt. Deze organisaties bieden kosteneffectieve, goed ontworpen huisvestingsoplossingen die de cohesie binnen de gemeenschap en de stabiliteit van de huisvesting op lange termijn bevorderen. Bouwverenigingen zonder winstoogmerk of met beperkt winstoogmerk in Wenen bijvoorbeeld, goed voor 30 % van alle woningbouw in Wenen, hebben een stabiliserende invloed op de woningmarkt door de prijzen laag te houden. Zo blijven de huurprijzen betaalbaar en worden marktverstoringen voorkomen.

Wat zijn in het licht van deze bevindingen uw belangrijkste aanbevelingen voor actie en verder onderzoek?

Op middellange termijn moet het huisvestingsbeleid van de EU resulteren in een “New European Deal voor betaalbare duurzame sociale huisvesting” en een “huisvestingsrichtlijn” om een uniforme aanpak in alle lidstaten te garanderen. Landen moeten innovatieve modellen zoals coöperaties en huisvesting met beperkt winstoogmerk bevorderen, flexibele financiële steun bieden voor huisvestingsprojecten en digitale hulpmiddelen gebruiken voor betere huisvestingsoplossingen.

Op lange termijn moet het huisvestingsbeleid een strategische en duurzame aanpak volgen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan lokale oplossingen en voortdurende monitoring. Digitalisering moet worden gestandaardiseerd via wetgeving, met praktijken op het gebied van de circulaire economie zoals bankleningen gekoppeld aan de eis om te bouwen volgens het kringloopprincipe, huurstimulansen op basis van energie-efficiëntie en bottom-up financieringsinitiatieven. Daarnaast moet het concept van sociale huisvesting worden uitgebreid naar gezinnen met een middeninkomen, vergelijkbaar met het Weense model, dat een sociale mix bevordert en gentrificatie voorkomt. Om daadwerkelijk te voldoen aan de huisvestingsbehoeften is het ook van cruciaal belang om de aandacht te richten op zowel nieuwbouw als het renoveren en herbestemmen van ongebruikte gebouwen.

Toekomstig onderzoek moet zich toespitsen op inclusieve benaderingen in stadsplanning, bouw en huisvesting om de toegankelijkheid voor alle burgers te verbeteren. Er moet ook onderzoek worden gedaan naar de impact van opkomende technologieën, zoals AI en automatisering, op kostenbesparingen en efficiëntie bij de ontwikkeling en het beheer van huisvesting. Ook is er onderzoek nodig naar innovatieve huisvestingsmodellen in alle EU-lidstaten, waarbij op zoek wordt gegaan naar strategieën die zowel de betaalbaarheid als de duurzaamheid kunnen verbeteren.

De studie is in opdracht van het EESC uitgevoerd op verzoek van de groep Maatschappelijke Organisaties.

Europa’s vooruitgang bij de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) is aanzienlijk vertraagd, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid over de verwezenlijking van de doelstellingen voor 2030. Uit het Europe Sustainable Development Report 2025 (ESDR), gepubliceerd door het Sustainable Development Solutions Network (SDSN) van de VN, blijkt dat de vooruitgang op het gebied van de SDG’s tussen 2020 en 2023 met ruim de helft is teruggevallen ten opzichte van de periode ervoor.

Europa’s vooruitgang bij de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) is aanzienlijk vertraagd, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid over de verwezenlijking van de doelstellingen voor 2030. Uit het Europe Sustainable Development Report 2025 (ESDR), gepubliceerd door het Sustainable Development Solutions Network (SDSN) van de VN, blijkt dat de vooruitgang op het gebied van de SDG’s tussen 2020 en 2023 met ruim de helft is teruggevallen ten opzichte van de periode ervoor.

Tussen 2016 en 2019 steeg de vooruitgang met 1,9 punten, maar in de daaropvolgende jaren daalde dit tot slechts 0,8 punten. De vertraging doet zich voor te midden van toenemende ecologische, sociale en geopolitieke uitdagingen. SDG 2 (uitbanning van honger) blijft een belangrijk punt van zorg, aangezien er in heel Europa nog steeds problemen op het gebied van voedselzekerheid en -duurzaamheid bestaan.

In een studie in opdracht van het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) wordt benadrukt dat veranderingen in voedingspatronen nodig zijn om duurzame landbouw en volksgezondheid te ondersteunen.

Nu er een nieuw leiderschap van de EU is aangetreden, dringen deskundigen aan op krachtiger beleid en meer investeringen om vooruitgang met betrekking tot de SDG’s te ondersteunen. Wereldwijde samenwerking en financiering worden als cruciaal beschouwd: zo zal de 4e Internationale Conferentie inzake ontwikkelingsfinanciering (Spanje, juni 2025) naar verwachting in het teken staan van het opvoeren van de financiële steun voor duurzaamheid.

Guillaume Lafortune, vicevoorzitter van SDSN en hoofdauteur van de bovenvermelde studie, waarschuwt dat toenemende geopolitieke spanningen de duurzaamheidsinspanningen bemoeilijken, maar blijft optimistisch.

“De wereld wordt steeds gevaarlijker, instabieler en onzekerder. Tegelijkertijd willen mensen, met name jongeren, duurzame ontwikkeling. Met de omvang van de wereldeconomie en de beschikbare technologieën heeft de wereld het potentieel om over de hele lijn over te stappen op duurzame ontwikkeling.”

“Duurzame voedselsystemen zijn een cruciale motor om de SDG’s sneller dichterbij te brengen. In dit verband is er behoefte aan ambitieuzere mechanismen om de bestaansmiddelen van boeren, kleinschalige voedselproducenten en andere belanghebbenden in de hele voedselvoorzieningsketen veilig te stellen. Tegelijkertijd moeten we iets doen aan oneerlijke verdeling en zorgen voor een rechtvaardige overgang”, aldus Peter Schmidt, voorzitter van de EESC-afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu (NAT), die ook opriep tot een grotere rol voor het maatschappelijk middenveld.

Met nog maar vijf jaar te gaan tot 2030 staat de EU voor een cruciale beslissing: doortastend optreden of het risico lopen dat zij haar beloften voor een duurzame en rechtvaardige toekomst niet nakomt. (ks)

De elektriciteitsmarkt moet zó worden hervormd dat er meer wordt bereikt dan alleen de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit voor 2050. Het is van essentieel belang om de voorzieningszekerheid, stabiele en betaalbare prijzen en het recht op energie te garanderen om kwetsbare groepen te beschermen, aldus het Europees Economisch en Sociaal Comité.

De elektriciteitsmarkt moet zó worden hervormd dat er meer wordt bereikt dan alleen de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit voor 2050. Het is van essentieel belang om de voorzieningszekerheid, stabiele en betaalbare prijzen en het recht op energie te garanderen om kwetsbare groepen te beschermen, aldus het Europees Economisch en Sociaal Comité.

In het advies Toekomst van de levering en prijzen van elektriciteit in de EU, uitgebracht in januari en opgesteld door Jan Dirx en Thomas Kattnig, bepleit het EESC een model van overheidsregulering waar nodig en particulier ondernemerschap waar mogelijk, en beveelt het een e-faciliteit aan.

Dit zou een van overheidswege opgericht bedrijf kunnen zijn dat op de elektriciteitsmarkt als marktmaker fungeert en aldus de doelstellingen klimaatneutraliteit, voorzieningszekerheid en stabiele en betaalbare prijzen gestalte geeft.

Volgens het Comité moeten de noodzakelijke veranderingen op de elektriciteitsmarkt in drie fasen uitgevoerd worden:

  • Fase 1: van nu tot 2030

    De e-faciliteit zal haar portefeuille uitbreiden met een mix van (CO2-vrije) elektriciteitsopwekking. Gedurende deze periode zal de handel in elektriciteit plaatsvinden op basis van day-aheadprijzen, maar zal de invloed van de e-faciliteit op de markt toenemen.

  • Fase 2: van 2030 tot 2040

    De e-faciliteit zal haar positie als marktmaker bereiken en een passend deel van de aanbodzijde van de markt door middel van leveringscontracten controleren. De day-aheadhandel zal zich gedurende deze periode dienovereenkomstig aanpassen.

  • Fase 3: van 2040 tot 2050

    De e-faciliteit zal de aanbodzijde van elektriciteit optimaliseren om vanaf 2050 een duurzame langetermijnlevering van elektriciteit met een nettonuluitstoot van broeikasgassen op een stabiel en voorspelbaar prijsniveau te waarborgen. (mp)

Om de legitieme belangen van de EU in het Europese noordpoolgebied zo goed mogelijk te verdedigen is een gemeenschappelijke strategie nodig waarmee het maatschappelijk middenveld nauwer bij alle relevante besluiten wordt betrokken. Ook nauwe samenwerking met Groenland is van vitaal belang om duurzame investeringen in het noordpoolgebied mogelijk te maken en zo de welvaart en veerkracht van de regio te waarborgen.

Om de legitieme belangen van de EU in het Europese noordpoolgebied zo goed mogelijk te verdedigen is een gemeenschappelijke strategie voor het noordpoolgebied nodig waarmee het maatschappelijk middenveld nauwer bij alle relevante besluiten wordt betrokken. Ook nauwe samenwerking met Groenland is van vitaal belang om duurzame investeringen in het noordpoolgebied mogelijk te maken en zo de welvaart en veerkracht van de regio te waarborgen.

Het EESC heeft tijdens zijn januarizitting een initiatiefadvies over de Ontwikkeling van een Europese strategie voor het noordpoolgebied, in overleg met het maatschappelijk middenveld goedgekeurd, waarin het belang van de rol van het noordpoolgebied voor de strategische autonomie, de veerkracht en het concurrentievermogen van Europa wordt belicht.

EESC-rapporteur Anders Ladefoged zei: “Met ons nieuwe advies over het EU-beleid voor het noordpoolgebied willen we de visie van het maatschappelijk middenveld op het EU-beleid voor deze regio uiteenzetten; zo dient de Unie haar eigen belangen voor ogen te houden, maar moet zij er ook voor zorgen dat het noordpoolgebied uitgroeit tot een veerkrachtige en welvarende regio, in het belang van de inwoners.

Voorts zou het EESC graag zien dat de inheemse bevolking ten volle bij een en ander wordt betrokken en dat met hen wordt samengewerkt. Corapporteur Christian Moos verklaarde: “Om hun belangen zo goed mogelijk te verdedigen moeten de landen van het Europese noordpoolgebied gezamenlijk optreden: niet alleen moeten de noordelijke EU-lidstaten samenwerken, er is ook een Europese strategie voor het noordpoolgebied nodig, die de participatie van het maatschappelijk middenveld moet garanderen en de rechten van de lokale en inheemse bevolking moet eerbiedigen.”

Groenland — dat ook ter sprake komt in het advies — bevindt zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van het Europese noordpoolgebied, zowel wat betreft de uitdagingen als de kansen in verband met de snelle transformatie van de regio.

Christian Moos zei het volgende over Groenland: “Nauwere Europese samenwerking, ook in Groenland, is van vitaal belang om duurzame investeringen in het Europese Noordpoolgebied mogelijk te maken en zo de welvaart en veerkracht van de regio te waarborgen.

Voor de Groenlanders staat het versterken van hun zelfbeschikking als natie centraal, volgens het beginsel “niets over ons zonder ons”. Wel wordt de EU beschouwd als een trouwe bondgenoot, aangezien er sprake is van gedeelde waarden zoals mensenrechten en sociale dialoog. (at)

De EU moet meer aandacht besteden aan het concurrentiebeleid om zo haar mondiale concurrentievermogen te versterken, de productiviteit te verhogen en ervoor te zorgen dat de interne markt een economische steunpilaar blijft.

De EU moet meer aandacht besteden aan het concurrentiebeleid om zo haar mondiale concurrentievermogen te versterken, de productiviteit te verhogen en ervoor te zorgen dat de interne markt een economische steunpilaar blijft.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft tijdens zijn januarizitting een advies aangenomen over Een mededingingsbeleid dat de motor achter het concurrentievermogen van de EU is, waarin het pleit voor een sterkere integratie van de nationale economieën en slimmere strategieën voor staatssteun om het economisch potentieel van Europa te ontsluiten en de grootste mondiale uitdagingen — waaronder de digitalisering, klimaatverandering en veerkracht — aan te pakken.

Het EESC onderstreept dat het mededingingsbeleid van cruciaal belang is om innovatie, duurzaamheid en economische groei in een stroomversnelling te brengen. “Mededinging en concurrentievermogen hoeven elkaar niet in de weg te staan”, aldus rapporteur Isabel Yglesias. “Met gestroomlijnde procedures, flexibele instrumenten en voldoende middelen kan het mededingingsbeleid zorgen voor meer welvaart voor bedrijven en burgers in de EU.”

De nieuwe mededingingsregels van de EU, zoals de digitalemarktenverordening en de verordening buitenlandse subsidies, zijn al gericht op het aanpakken van marktverstoringen en versterken de positie van de EU op het internationale toneel. Het EESC dringt echter aan op verdere maatregelen om de beoordeling van concentraties te moderniseren en ervoor te zorgen dat innovatiegedreven concentraties daadwerkelijk worden gecontroleerd, zelfs als ze onder de huidige EU-drempels blijven.

In het advies wordt gewezen op de cruciale rol van staatssteun bij de ondersteuning van de groene en de digitale transitie. Slecht gecoördineerde subsidies dreigen echter de productiviteit en de groei te ondermijnen. Studies tonen aan dat een betere coördinatie binnen de EU de productiviteit met meer dan 30 % zou kunnen verhogen. Het EESC pleit ervoor om de subsidies in alle lidstaten op elkaar af te stemmen om zo de Europese waardeketens te versterken en inefficiëntie te voorkomen.

De belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang (IPCEI's) en het voorgestelde Europees fonds voor concurrentievermogen moeten worden opgezet vanuit een pan-Europees perspectief om grootschalige industriële innovatie te stimuleren. Deze instrumenten moeten ervoor zorgen dat de voordelen eerlijk worden verdeeld over de hele Unie en dat duurzaamheid en veerkracht worden bevorderd.

Willen we dat de EU uitgroeit tot wereldleider, dan is er volgens het EESC behoefte aan:

  • meer integratie, zodat minder subsidies op de verkeerde plaats terechtkomen en de productiviteit wordt verhoogd;
  • strengere regels ter bescherming van Europese innovatie bij buitenlandse overnames;
  • vereenvoudigde en snellere mededingings- en staatssteunprocedures om de efficiëntie te vergroten, en
  • een evenwichtig beleid inzake concentraties dat innovatie, duurzaamheid en investeringen in infrastructuur bevordert. (ll)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) dringt erop aan de staatssteunregels van de Europese Unie te wijzigen om beter tegemoet te komen aan de behoeften van entiteiten van de sociale economie, die een cruciale rol spelen bij het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen. 

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) dringt erop aan de staatssteunregels van de Europese Unie te wijzigen om beter tegemoet te komen aan de behoeften van entiteiten van de sociale economie, die een cruciale rol spelen bij het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen.

In zijn advies over Ondersteuning van entiteiten van de sociale economie conform de staatssteunregels — enkele overwegingen naar aanleiding van de ideeën uit het rapport-Letta dat tijdens de zitting van januari werd goedgekeurd, waarschuwt het EESC dat de bestaande regelgeving onvoldoende steun biedt aan deze ondernemingen, die hun winsten vaak herinvesteren in sociale doelstellingen in plaats van ze onder de beleggers te verdelen.

“Bedoeling is dat mensen meer oog krijgen voor de voordelen van doeltreffende regelgeving op het gebied van mededinging en staatssteun voor zowel ondernemingen van de sociale economie als het hele systeem van diensten van algemeen belang”, aldus Giuseppe Guerini, de rapporteur van het advies.

Entiteiten van de sociale economie — zoals coöperaties, onderlinge maatschappijen en stichtingen — bieden werk aan meer dan 11 miljoen mensen in de hele EU, d.w.z. 6,3 % van de beroepsbevolking. Ze zijn actief op gebieden als sociale en gezondheidsdiensten, hernieuwbare energie en armoedebestrijding. Ondanks hun bijdragen hebben veel entiteiten van de sociale economie te maken met systemische belemmeringen bij het verkrijgen van langetermijninvesteringskapitaal en het doorlopen van openbare aanbestedingsprocedures, omdat in het huidige regelgevingskader vaak geen rekening wordt gehouden met hun non-profit- of solidaire karakter.

Het EESC wijst er in zijn advies onder meer op dat overheidsinstanties onvoldoende gebruikmaken van bestaande instrumenten zoals de algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) en het kader voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB’s).

Daarom dringt het Comité aan op een vereenvoudiging en actualisering van de veel te ingewikkelde en verouderde regels van de AGVV ten behoeve van de indienstneming van kwetsbare en gehandicapte werknemers, in overeenstemming met een aantal aanbevelingen uit het rapport-Letta over de eengemaakte markt.

Hoewel het EESC ingenomen is met de recente verhoging van het de-minimisplafond — 300 000 EUR voor gewone ondernemingen en 750 000 EUR voor DAEB-entiteiten — stelt het ook dat meer op maat gesneden instrumenten, zoals de AGVV of specifieke DAEB-bepalingen, beter zouden kunnen inspelen op de behoeften van entiteiten van de sociale economie op gebieden als gezondheidszorg en sociale diensten. (ll)

Jongeren in het Middellandse Zeegebied moeten in alle stadia van de beleidsvorming en -uitvoering worden gehoord. Tijdens het debat in het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) werd betoogd dat jongeren niet alleen hun stempel op het beleid drukken, maar ook op het leven.

Jongeren in het Middellandse Zeegebied moeten in alle stadia van de beleidsvorming en -uitvoering worden gehoord. Tijdens het debat in het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) werd betoogd dat jongeren niet alleen hun stempel op het beleid drukken, maar ook op het leven.

Het debat vond plaats naar aanleiding van de goedkeuring van het advies over Betrokkenheid van jongeren bij de sociale en civiele dialoog in het Middellandse Zeegebied en werd gehouden tijdens de januarizitting van het EESC. Het is het eerste EESC-advies waarin rekening wordt gehouden met de inbreng van jongerenvertegenwoordigers uit de regio. Acht jonge vertegenwoordigers hebben bijgedragen aan de ontwerptekst.

Tijdens het debat benadrukte Dubravka Šuica, commissaris voor het Middellandse Zeegebied, hoe belangrijk jongeren zijn voor de welvaart, stabiliteit en veerkracht van de regio: “De toekomst van het Middellandse Zeegebied ligt in handen van de jongeren. Als we samen een duurzame toekomst willen uitbouwen, moeten we rechtstreeks samenwerken met jonge generaties en ervoor zorgen dat hun stem richting geeft aan ons beleid en aan onze prioriteiten. Door te investeren in onderwijs, banen en groei zullen we samen een nieuw pact voor het Middellandse Zeegebied sluiten.”

EESC-voorzitter Oliver Röpke steunt het nieuwe pact van commissaris Šuica, waarin investeringen, duurzaamheid en migratie centraal staan. Hij voegde eraan toe dat het maatschappelijk middenveld er actief aan moet meewerken. “De betrokkenheid van jongeren is van essentieel belang voor de toekomst van de regio. Het EESC zal ervoor zorgen dat zij het beleid en de besluitvorming mee bepalen. Samen met de Unie voor het Middellandse Zeegebied en de Anna Lindh-stichting streven we naar een vreedzaam en welvarend Middellandse Zeegebied.”

Prinses Rym Ali, voorzitter van de Anna Lindh-stichting, benadrukte het belang van de bijdrage van de jonge vertegenwoordigers aan het advies en zei dat het werken met jongeren niet alleen belangrijk, maar ook dringend nodig en inspirerend is. “Er staat zoveel op het spel. Zonder de betrokkenheid van jongeren, zonder hen instrumenten aan te bieden om op gelijke voet deel te nemen, kunnen we niet tot oplossingen voor de toekomst komen. Zij moeten een plek aan de tafel krijgen”, zei ze.

Eliane El Haber, jongerenvertegenwoordiger voor het advies en adviseur van het jongerennetwerk Unesco SDG 4, was ingenomen met het initiatief van het EESC om jongeren met uiteenlopende regionale, gender-, educatieve en culturele achtergronden actief te betrekken.

door Stefano Mallia, voorzitter van de groep Werkgevers van het EESC

Op 29 januari heeft de Europese Commissie het EU-kompas voor het concurrentievermogen goedgekeurd — een cruciale en opportune stap die de economische motor van Europa weer moet aanzwengelen en de koers van de EU voor de komende vijf jaar zal bepalen.

door Stefano Mallia, voorzitter van de groep Werkgevers van het EESC

Op 29 januari heeft de Europese Commissie het EU-kompas voor het concurrentievermogen goedgekeurd — een cruciale en opportune stap die de economische motor van Europa weer moet aanzwengelen en de koers van de EU voor de komende vijf jaar zal bepalen.

Werkgevers in de EU pleiten al geruime tijd voor een overkoepelende agenda voor het concurrentievermogen en wij zijn zeer te spreken over de drie pijlers van het kompas: het dichten van de innovatie- en productiviteitskloof, het combineren van decarbonisatie en concurrentievermogen en het verminderen van afhankelijkheden om toeleveringsketens veilig te stellen. Deze zijn van essentieel belang om ervoor te zorgen dat Europa wereldwijd kan concurreren, talent kan aantrekken en behouden en innovatie kan bevorderen.

Wel is het zo dat het kompas uiteindelijk alleen een succes kan worden indien er concrete maatregelen worden uitgewerkt en deze tijdig worden uitgevoerd. Belangrijke initiatieven zoals het omnibuspakket voor vereenvoudiging, de Clean Industrial Deal en de horizontale strategie ter verdieping van de interne markt zullen een doorslaggevende rol spelen. Maar opgesmukte strategieën en pakkende benamingen volstaan niet om ons de uitdagingen die op ons afkomen van het lijf te houden.

Zo is vereenvoudiging van het regelgevingskader de eerste en meest dringende stap. Het is van essentieel belang dat de bureaucratische rompslomp wordt verminderd en dat er sneller en flexibeler te werk wordt gegaan. Al te lang hebben bedrijven in de EU te kampen met een besluitvorming die veel te ingewikkeld en traag is. Ook moet de concurrentievermogenstoets op een zinvolle wijze geïmplementeerd worden, zodat nieuwe wet- en regelgeving de groei van het bedrijfsleven niet in de weg staat maar juist ondersteunt.

Het kompas is terecht gericht op het bevorderen van innovatie door middel van een robuuste kapitaalmarktenunie en het aanpakken van structurele belemmeringen om het potentieel van Europa op het gebied van deep tech, schone energie en geavanceerde productie te ontsluiten, terwijl er tegelijkertijd een vruchtbaar ecosysteem voor start-ups en scale-ups tot stand moet worden gebracht.

Dat de kapitaalmarktenunie nog altijd in de steigers staat, herinnert er ook maar al te goed aan dat we ons geen enkele vertraging kunnen veroorloven. Het kompas voorziet weliswaar in een betere coördinatie van nationale overheidsinvesteringen, maar bevat geen duidelijk plan voor andere gemeenschappelijke financieringsbronnen. De wereld zal echter niet op ons wachten.

De race is begonnen en we moeten nú schakelen naar de hoogste versnelling. Het ontsluiten van het concurrentievermogen is niet alleen een economische noodzaak, maar ook de sleutel tot welvaart waar iedereen van profiteert. Europese bedrijven zijn en blijven een deel van de oplossing. 

Europees Semester 2025 Najaarspakket

Document Type
AS

In dit nummer:

  • EESC spreekt zich uit over de verslagen van Letta en Draghi, door Matteo Carlo Borsani, Giuseppe Guerini en Stefano Palmieri
  • De obsessie met concurrentievermogen, door Karel Lannoo van het CEPS
  • Kompas voor het concurrentievermogen biedt geen evenwicht tussen de behoeften van bedrijven en de rechten van werknemers, door Esther Lynch van het EVV
  • Future 500: Europese bedrijven klaarstomen voor wereldwijd succes, door Stjepan Orešković van de Atlantic Council
  • ECCJ zegt nee tegen omnibuspakket: bedrijfsbelangen mogen EU-beleid niet dicteren, door Andriana Loredan van de ECCJ