Binnenkort zal de Europese Commissie een pakket wetgevingshervormingen op het gebied van bedrijfsrapportageverplichtingen bekendmaken, bekend als het “omnibuspakket”.  Dit pakket heeft tot doel de duurzaamheidsregelgeving te vereenvoudigen en te stroomlijnen en de rapportageverplichtingen voor bedrijven eenvoudiger te maken. Sinds de aankondiging ervan in november heeft het omnibuspakket veel stof doen opwaaien in de EU, en geleid tot discussies en tegenkanting van verschillende groepen. Maatschappelijke organisatiesvakbondenbedrijven, beleggersjuristen en wetenschappers hebben allemaal hun bezorgdheid geuit over het gevaar dat het omnibuspakket tot deregulering kan leiden, en er bij de Commissie op aangedrongen de huidige instrumenten te beschermen en niet af te zwakken.  Andriana Loredan van de European Coalition for Corporate Justice (ECCJ) legt uit wat er op het spel staat en waarom maatschappelijke organisaties zoals het ECCJ zich tegen het omnibuspakket verzetten. 

Binnenkort zal de Europese Commissie een pakket wetgevingshervormingen op het gebied van bedrijfsrapportageverplichtingen bekendmaken, bekend als het “omnibuspakket”.  Dit pakket heeft tot doel de duurzaamheidsregelgeving te vereenvoudigen en te stroomlijnen en de rapportageverplichtingen voor bedrijven eenvoudiger te maken. Sinds de aankondiging ervan in november heeft het omnibuspakket veel stof doen opwaaien in de EU, en geleid tot discussies en tegenkanting van verschillende groepen. Maatschappelijke organisatiesvakbondenbedrijven, beleggersjuristen en wetenschappers hebben allemaal hun bezorgdheid geuit over het gevaar dat het omnibuspakket tot deregulering kan leiden, en er bij de Commissie op aangedrongen de huidige instrumenten te beschermen en niet af te zwakken.  Andriana Loredan van de European Coalition for Corporate Justice (ECCJ) legt uit wat er op het spel staat en waarom maatschappelijke organisaties zoals het ECCJ zich tegen het omnibuspakket verzetten.

Concurrentievermogen als excuus om de broodnodige duurzaamheidsregels minder streng te maken

Het omnibuspakket heeft betrekking op drie belangrijke duurzaamheidsinstrumenten die centraal staan in de Europese Green Deal, namelijk de richtlijn duurzaamheidsrapportage door bedrijven (CSRD), de richtlijn passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD) en de taxonomieverordening. Het pakket is een rechtstreeks resultaat van de koerswijziging van de nieuwe Commissie, die is ingezet met het rapport van Mario Draghi over de toekomst van het Europese concurrentievermogen van september 2024. In het rapport-Draghi wordt de stagnatie van de EU-markten deels toegeschreven aan de buitensporige regeldruk voor bedrijven, terwijl gemakshalve wordt voorbijgegaan aan andere belangrijke factoren, zoals de inflatie van de olie-, gas- en voedselprijzen als gevolg van speculatie door multinationals. Volgens het rapport-Draghi is het EU-kader voor duurzaamheidsrapportage en passende zorgvuldigheid een belangrijke bron van regeldruk. Hoewel er geen bewijs is dat de duurzaamheidswetgeving verantwoordelijk is voor het vermeende gebrek aan concurrentievermogen van de EU, is deze enge visie een voorwendsel geworden om de duurzaamheidswetgeving mogelijk helemaal te ontmantelen.

Met dit specifieke omnibuspakket wil de Commissie een aantal van de meest kritieke instrumenten die recentelijk zijn ingevoerd om de gevolgen van grote bedrijven voor mens en milieu aan te pakken, vereenvoudigen. Dit omvat de CSDDD, die pas vorig jaar is goedgekeurd en nog moet worden geïmplementeerd.

Hoe de inhoud van het omnibuspakket eruit zal zien blijft tot nu toe voer voor speculatie. Een van de belangrijkste risico’s die kleven aan het nieuwe pakket is echter dat de duurzaamheidsinstrumenten juridisch op losse schroeven worden gezet, wat zou kunnen leiden tot nieuwe onderhandelingen over belangrijke bepalingen (zoals de wettelijke aansprakelijkheid of klimaattransitieplannen in het kader van de CSDDD). Het ECCJ is sterk gekant tegen een herziening van de eerder overeengekomen duurzaamheidswetgeving. Dit zou de onzekerheid over de regelgeving vergroten, het respect van bedrijven voor mensenrechten en het milieu in gevaar brengen en pioniers een hak zetten.

Onevenredig grote invloed van bedrijven temidden van een afgezwakt raadplegingsproces

De aankondiging van het omnibuspakket en de ontwikkeling van het voorstel door de Commissie zijn uitgevoerd met een totaal gebrek aan transparantie en zonder rekening te houden met het EU-recht of de eigen procedureregels van de Commissie.

De Commissie is voornemens haar omnibusinitiatief binnen een zeer korte termijn te presenteren, waardoor er geen tijd is voor een behoorlijke effectbeoordeling en openbare raadpleging. Deze benadering is onverenigbaar met het recht om deel te nemen aan de besluitvormingsprocessen van de EU, een democratisch beginsel dat door het EU-recht wordt beschermd. Ze is ook in strijd met de eigen richtsnoeren van de Commissie voor een betere regelgeving, die een brede en transparante raadpleging van belanghebbenden tijdens het beleidsvormingsproces van de Commissie vereisen.

In plaats daarvan heeft de Commissie in februari 2025 een schijnraadpleging gehouden, een zogenaamde “reality check”, met een klein, selectief groepje belanghebbenden, voornamelijk grote ondernemingen en ondernemersverenigingen. Veel van deze bedrijven zijn momenteel verwikkeld in rechtszaken wegens schendingen van mensenrechten of het milieu in hun eigen activiteiten of waardeketen. Ze hebben er dus belang bij dat de duurzaamheidswetgeving wordt afgezwakt, ten koste van werknemers, lokale gemeenschappen en het klimaat. Bovendien staat de onevenredige vertegenwoordiging van grote ondernemingen in schril contrast met de ondervertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld. Maatschappelijke organisaties, vakbonden en kleine bedrijven waren alleen symbolisch vertegenwoordigd, terwijl slachtoffers van misbruik door ondernemingen, en bedrijven die de duurzaamheidsregelgeving wel ondersteunen, volledig werden uitgesloten van het gesprek.

Het omnibuspakket: een potentiële bedreiging voor een ambitieus klimaatbeleid

Commissievoorzitter Ursula von der Leyen en commissaris Valdis Dombrovskis, die toezicht houdt op de hele “vereenvoudigingsoefening”, lijken zich te voegen naar de agenda van de grootste, machtigste ondernemingen. De belangrijkste partners van de Commissie tijdens de zogenaamde “reality check” waren ondernemingen waarvan de bedrijfsactiviteiten aanzienlijk bijdragen aan de klimaatverandering en die belang hebben bij het verminderen van klimaatverplichtingen, zoals bedrijven in de olie-, gas-, petrochemische, automobiel- en financiële sector. Gezien de huidige klimaatcrisis en de negatieve gevolgen ervan voor mens en milieu rijst de vraag of het omnibuspakket geen stap achteruit zal betekenen voor het klimaatbeleid.

De Commissie moet prioriteit geven aan implementatie in plaats van deregulering

Als de Commissie zich werkelijk bekommert om het concurrentievermogen en een vermindering van de regeldruk, maar ook om mensenrechten en klimaatrechtvaardigheid, dan zou ze moeten nadenken over de vraag hoe de duurzaamheidsinstrumenten effectief kunnen worden geïmplementeerd. Dit kan gemakkelijk worden gedaan door richtsnoeren te ontwikkelen om bedrijven en autoriteiten van de lidstaten bij te staan, zoals vastgelegd in de CSDDD, en door te zorgen voor financiering en capaciteitsopbouw. Deze aanpak zou tegemoetkomen aan de kritiek in het rapport-Draghi dat richtsnoeren ontbreken om de toepassing van de duurzaamheidswetgeving van de EU te vergemakkelijken.

Ten slotte is het stiekem herschrijven van cruciale duurzaamheidsregels achter gesloten deuren, samen met enkele van ’s werelds grootste ondernemingen, niet bepaald de manier om echt concurrerend te worden. 

Andriana Loredan is beleidsmedewerker bij de European Coalition for Corporate Justice (ECCJ). Sinds 2022, het jaar waarin het voorstel voor een richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid werd gepubliceerd, zet zij zich in voor de verdediging van deze richtlijn. Daarvoor werkte ze bij Anti-Slavery International aan het thema bedrijfsleven en mensenrechten vanuit het oogpunt van dwangarbeid. 

Door Kinga Grafa

Bedrijven in Europa hebben nog steeds te kampen met enorme bureaucratie, versnipperde regelgeving en stijgende kosten. Deze overregulering staat hun groei in de weg en belet hen gelijke tred te houden met concurrenten uit andere delen van de wereld. Europa kan niet in rondjes blijven draaien. Ondernemers hebben daadwerkelijke veranderingen nodig, in plaats van nog meer analyses van de belemmeringen die we al jaren kennen. Dit is een belangrijk moment om van woorden naar daden over te gaan, schrijft Kinga Grafa van de Poolse vakbond Lewiatan.

Door Kinga Grafa

Bedrijven in Europa hebben nog steeds te kampen met enorme bureaucratie, versnipperde regelgeving en stijgende kosten. Deze overregulering staat hun groei in de weg en belet hen gelijke tred te houden met concurrenten uit andere delen van de wereld. Europa kan niet in rondjes blijven draaien. Ondernemers hebben daadwerkelijke veranderingen nodig, in plaats van nog meer analyses van de belemmeringen die we al jaren kennen. Dit is een belangrijk moment om van woorden naar daden over te gaan, schrijft Kinga Grafa van de Poolse vakbond Lewiatan.

De Europese Commissie heeft onlangs het kompas voor concurrentievermogen gepubliceerd: een routekaart voor de komende vijf jaar om de economische positie van de EU te versterken en Europese bedrijven te ondersteunen. De door de Commissie voorgestelde aanpak is de juiste. Het bedrijfsleven heeft al geruime tijd aangedrongen op zulke veranderingen, die “concurrentievermogen” en de “eengemaakte markt” tot topprioriteiten hebben gemaakt. Maar als de EU een mondiale concurrent wil zijn, moet zij nu actie ondernemen. Uitgaande van een sterke economie moeten we de regelgeving snel stroomlijnen, de energiekosten verlagen en zorgen voor doeltreffende steun voor investeringen en innovatie. Verder moeten, in het licht van het grillige geopolitieke klimaat, vrijhandelsovereenkomsten met belangrijke partners worden afgerond, zoals die betreffende de toegang tot kritieke grondstoffen.

Vandaag de dag hebben bedrijven in Europa nog steeds te kampen met enorme bureaucratie, versnipperde regelgeving en stijgende kosten. Concurrenten uit andere delen van de wereld groeien sneller, terwijl overregulering de groei van Europese bedrijven in de weg staat. De Europese Commissie moet specifieke hervormingen voorstellen die het ondernemingsklimaat in de EU daadwerkelijk verbeteren. Het kompas voor concurrentievermogen maakt werk van de belangrijkste hinderpalen voor groei en productiviteit in de EU, zoals hoge energiekosten, overregulering en tekorten aan vaardigheden en arbeidskrachten. Dit is de juiste aanpak, maar het belangrijkste is om dit toe te passen. Dit betekent wetgevingsvoorstellen en actieplannen die het concurrentievermogen bevorderen en de zaak niet vertragen.

De eengemaakte markt is een van de grootste succesverhalen van de Europese integratie, maar de mogelijkheden ervan moeten volledig worden benut. Het is onaanvaardbaar dat de belemmeringen op de eengemaakte markt, die 20 jaar geleden al zijn vastgesteld, nu nog bestaan. Het Poolse voorzitterschap van de Raad van de EU heeft de kans hier verandering in te brengen. Daarbij is de vrije dienstverrichting een belangrijke prioriteit. Dit is niet alleen van levensbelang voor de vervoerssector, maar ook voor de groeiende groep bedrijven die professionele diensten aanbieden. Helaas wordt in de rapporten van Letta en Draghi onvoldoende aandacht besteed aan deze kwestie. Letta richtte zich alleen op de bouw en de detailhandel, terwijl Draghi geen oog had voor de ramingen van de Commissie voor de aanvullende stappen die het potentieel van de dienstenmarkt zouden kunnen ontsluiten. Positief is dat in het verslag van Niinistö wordt gewezen op de rol van diensten bij de opbouw van veerkracht en veiligheid. Iedereen is ervan doordrongen hoe belangrijk dit is in het huidige geopolitieke landschap. Tegen deze achtergrond stelt de Commissie de “28e regeling” voor, één geheel van regels voor belastingen, arbeids- en vennootschapsrecht. Dit initiatief wil grensoverschrijdende activiteiten vereenvoudigen, met name voor kmo’s, maar we weten in dit stadium niet genoeg over het voorstel om het te kunnen beoordelen.

De voorgestelde deregulering en gestroomlijnde wetgeving is zonder meer een stap in de goede richting. Nu is echter het moment om de voorstellen in de praktijk te brengen, en dit moet meer zijn dan het louter terugdringen van de rapportagelast. Wij hopen dat de Commissie een grondige “doorlichting” van de EU-wetgeving zal uitvoeren die zal leiden tot specifieke voorstellen om het regelgevingskader van de EU snel te verbeteren.

We kijken uit naar het forum voor de eengemaakte markt in Krakau en wachten op de conclusies van de openbare raadpleging met leden van Lewiatan. Het doel is de volgende strategie voor de eengemaakte markt voor te bereiden.

Dit is een belangrijk moment, waarbij wordt overgegaan van woorden naar daden en oplossingen worden toegepast die de ontwikkeling van het Europese bedrijfsleven daadwerkelijk aanjagen. Een dialoog tussen de EU-instellingen en de sociale partners is van essentieel belang om oplossingen te vinden die tegemoetkomen aan de feitelijke behoeften van bedrijven. Als we geen gedurfde beslissingen nemen, zullen we waardevolle tijd verliezen en achterblijven bij de wereldwijde concurrentie.

Kinga Grafa is adjunct-directeur-generaal Europese Zaken bij het Pools Werkgevensverbond Lewiatan en permanent afgevaardigde bij BusinessEurope. Met haar achtergrond als politiek wetenschapper en journalist heeft zij ervaring opgedaan met de werking van de EU toen ze werkte voor het bureau van het Comité voor Europese integratie (2008-2009) en het Europees Parlement (2009-2014). Zij is ook co-auteur van een boek over de Poolse aristocratie en schreef wetenschappelijke publicaties over Amerikaans buitenlands beleid, de Amerikaanse elite en culturele diplomatie.

Volgens Danny Jacobs, algemeen directeur van het Vlaamse milieunetwerk Bond Beter Leefmilieu (BBL) moet de EU weerstand bieden aan de lokroep van deregulering. Deregulering creëert niets dan onzekerheid voor bedrijven, verzwakt het op duurzaamheid gerichte concurrentievermogen en brengt het welzijn en vertrouwen van burgers in gevaar. Milieuorganisaties maken zich grote zorgen over het laatste voorstel van de EU om de regelgeving te vereenvoudigen. Ze vrezen dat de belangrijkste doelstellingen van de Europese Green Deal op een zijspoor zullen worden gezet.

Volgens Danny Jacobs, algemeen directeur van het Vlaamse milieunetwerk Bond Beter Leefmilieu (BBL) moet de EU weerstand bieden aan de lokroep van deregulering. Deregulering creëert niets dan onzekerheid voor bedrijven, verzwakt het op duurzaamheid gerichte concurrentievermogen en brengt het welzijn en vertrouwen van burgers in gevaar. Milieuorganisaties maken zich grote zorgen over het laatste voorstel van de EU om de regelgeving te vereenvoudigen. Ze vrezen dat de belangrijkste doelstellingen van de Europese Green Deal op een zijspoor zullen worden gezet.

Wat vindt u van de nieuwste dereguleringsinitiatieven van de Commissie, zoals het kompas voor het concurrentievermogen of het omnibuspakket?

De Europese Commissie heeft een economisch ingegeven programma van deregulering en vereenvoudiging voorgesteld dat de moeizaam bereikte resultaten op het gebied van milieu, maatschappij en economie in gevaar dreigt te brengen. De EU verkeert in een spagaat tussen aanpassing en behoud van het Europese acquis en kan daarom moeilijk een duidelijke koers uitzetten.

Eind januari heeft de Commissie het kompas voor het concurrentievermogen gepresenteerd. Daarin wordt ingegaan op de bezorgdheid van het bedrijfsleven over de energiekosten en economische uitdagingen. Belangrijke prioriteiten zoals nulverontreiniging en het welzijn van de burgers worden echter terzijde geschoven. Op deze manier lukt het niet om de Europese economie te sturen in de richting van een schone, welvarende en circulaire toekomst. Het kompas dreigt Europa op een dwaalspoor te brengen. Het promoten van concurrerende decarbonisatie zonder rekening te houden met sociale en milieudoelstellingen ondermijnt het eigenlijke doel van de EU-instellingen, namelijk het dienen en verdedigen van het algemeen welzijn.

Maatschappelijke organisaties maken zich vooral zorgen over de riskante vereenvoudigingsdoelstelling van 25 % van het kompas. Hoewel het stroomlijnen van regelgeving welkom is, kan vereenvoudiging zonder grondige effectbeoordelingen de bescherming van gezondheid, maatschappij en milieu in gevaar brengen. Innovatie in het bedrijfsleven wordt niet belemmerd door regelgeving, maar eerder door een gebrek aan duidelijke regels. Verdere deregulering zou alleen maar een klimaat van onzekerheid creëren, de pioniers - bedrijven die een voortrekkersrol spelen - benadelen en de vooruitgang en duurzame ontwikkeling op de helling zetten.

We vrezen ook dat dit streven naar vereenvoudiging ten koste zal gaan van milieu- en sociale doelstellingen. De richtlijn duurzaamheidsrapportering door bedrijven, de richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en de EU-taxonomie hebben veel tekortkomingen en gaan niet ver genoeg. Als deze richtlijnen nu nog verder worden afgezwakt, verliezen ze elke betekenis.

Een ander concreet voorbeeld illustreert de huidige situatie goed.  In Vlaanderen hebben we de voorbije jaren een enorm probleem met PFAS. Grote gebieden zijn verontreinigd door deze chemicaliën. Dit brengt de gezondheid van honderdduizenden burgers in gevaar. De meest doeltreffende manier om de risico’s van stoffen zoals PFAS in te dijken, die zowel in industriële processen als in producten (mengsels en voorwerpen) worden gebruikt, bestaat erin ze te beperken of te verbieden in het kader van de wetgeving inzake chemische stoffen (Reach). Als de Europese Commissie de Reach-verordening zou versoepelen, zou dat de blootstelling aan gevaarlijke chemische stoffen die schadelijk zijn voor de volksgezondheid vergroten. Bedrijven zouden minder verplicht zijn om naar veilige alternatieven te zoeken, wat de innovatie in duurzame chemie zou afremmen. Dit kan leiden tot meer milieuvervuiling, aangezien minder strenge regels resulteren in meer gevaarlijke lozingen en meer afval. Consumenten zouden meer risico lopen als producten niet meer zo grondig gecontroleerd worden op giftige stoffen. Als gevolg daarvan zouden Europese bedrijven achterop kunnen raken bij de wereldwijde transitie naar veiligere en milieuvriendelijkere producten en marktaandeel kunnen verliezen aan concurrenten die zich richten op toekomstbestendige innovaties.

Wat zijn uw verwachtingen voor de Green Deal nu de Commissie een nieuwe koers heeft aangekondigd om de Europese economie te stimuleren?

Het werkprogramma 2025 van de Europese Commissie is zowel veelbelovend als riskant. Hoewel de toezeggingen op het gebied van decarbonisatie en betaalbare energie aangeven dat Europa schoner en veerkrachtiger kan worden, dreigen de belangrijkste doelstellingen van de Europese Green Deal te worden verzwakt. Er is groeiende bezorgdheid over de voorgestelde omnibusverordening, die onder het mom van vereenvoudiging zou kunnen leiden tot deregulering met betrekking tot maatschappelijk ondernemen. We zien steeds vaker dat vereenvoudiging een voorwendsel is om essentiële beschermingsmaatregelen af te zwakken: van de chemicaliënwetgeving tot de landbouw. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de overhaaste hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) in maart 2024, waarbij milieu- en klimaatbeschermingsmaatregelen overboord werden gegooid. Nu dreigt de langverwachte herziening van de Reach-verordening, die ooit was bedoeld om de volksgezondheid en het milieu te beschermen, te worden verpakt als een “vereenvoudigingsmaatregel” om de regels voor de industrie te versoepelen.

Nog maar een paar maanden geleden beloofde Commissievoorzitter Von der Leyen om alle doelstellingen van de Europese Green Deal te zullen respecteren. Uit het huidige werkprogramma blijkt echter het tegendeel, omdat juist de doelstellingen waar actie het meest dringend is - met name de ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen - minder prioriteit krijgen.

Denkt u dat de voorgestelde deregulering een negatief effect kan hebben op duurzaamheid en de tot nu toe geboekte vooruitgang?

De EU moet zich verzetten tegen de voortdurende drang naar deregulering, die de rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor bedrijven alleen maar zou ondergraven, het op duurzaamheid gerichte concurrentievermogen op de lange termijn zou verzwakken en het welzijn en vertrouwen van burgers zou aantasten.

De EU moet ervoor zorgen dat het terugdringen van de administratieve rompslomp niet ten koste gaat van de bescherming van het milieu en de volksgezondheid. Een intelligente implementatie moet de Europese Green Deal niet uithollen, maar juist versterken. Het verzwakken van belangrijke milieu- en sociale beschermingsmaatregelen onder het mom van minder bureaucratie is geen strategie voor economische kracht. Het is een roekeloze stap terug, waarbij juist de regels die onze economie toekomstbestendig moeten maken, worden ondermijnd. Dit alles brengt het alarmerende risico met zich mee dat een decennium van vooruitgang op het gebied van duurzaamheid ongedaan wordt gemaakt.

Tegelijkertijd staat het maatschappelijk middenveld in de hele EU onder toenemende druk nu de grondrechten worden bedreigd door beperkende wetten voor buitenlandse agenten, het hardhandige optreden tegen protesten en het snoeien in de uitgaven. Het Europees schild voor de democratie en de toekomstige EU-strategie voor het maatschappelijk middenveld moeten meer zijn dan alleen symbolische toezeggingen. Ze moeten zorgen voor wettelijke bescherming, duurzame financiering en een gestructureerde dialoog tussen het maatschappelijk middenveld en de EU-instellingen. Het werkprogramma van de Commissie moet prioriteit geven aan de bescherming van de democratie door het maatschappelijk middenveld te versterken. Zonder een onafhankelijk maatschappelijk middenveld dat over voldoende middelen beschikt, loopt de Europese democratie zelf gevaar.

Danny Jacobs is algemeen directeur van de Bond Beter Leefmilieu — BBL (een federatie van 135 Vlaamse milieuorganisaties in België) en Belgisch vertegenwoordiger bij het Europees Milieubureau (het grootste Europese netwerk van milieuorganisaties, dat ongeveer 30 miljoen leden en sympathisanten vertegenwoordigt).

Het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV), Europa's grootste vakbondsorganisatie, die 45 miljoen werknemers op Europees niveau vertegenwoordigt, heeft geweigerd het Kompas voor het concurrentievermogen, de blauwdruk van de Europese Commissie voor het stimuleren van de EU-economie, te onderschrijven. Voor het EVV is het Kompas in zijn huidige vorm niet aanvaardbaar. We spraken met de secretaris-generaal van het EVV, Esther Lynch, over de belangrijkste bezwaren van werknemers tegen het kompas en over het lot van de Europese pijler van sociale rechten in het licht van nieuwe oproepen tot drastische deregulering en een sterkere nadruk op concurrentievermogen.

Het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV), Europa's grootste vakbondsorganisatie, die 45 miljoen werknemers op Europees niveau vertegenwoordigt, heeft geweigerd het Kompas voor het concurrentievermogen, de blauwdruk van de Europese Commissie voor het stimuleren van de EU-economie, te onderschrijven. Voor het EVV is het Kompas in zijn huidige vorm niet aanvaardbaar. We spraken met de secretaris-generaal van het EVV, Esther Lynch, over de belangrijkste bezwaren van werknemers tegen het kompas en over het lot van de Europese pijler van sociale rechten in het licht van nieuwe oproepen tot drastische deregulering en een sterkere nadruk op concurrentievermogen.

Vakbonden in de EU hebben reeds hun ongenoegen geuit over de nieuwste plannen van de Europese Commissie om de economie van de EU nieuw leven in te blazen.
Wat zijn volgens u de voornaamste problemen met het Kompas voor het concurrentievermogen van de Commissie? Welke voorstellen ziet u als bijzonder problematisch?

Het grootste euvel is dat deregulering voorrang krijgt boven de investeringen die nodig zijn om hoogwaardige banen te scheppen, een sterk Europees industriebeleid te ontwikkelen en hoogwaardige openbare diensten te waarborgen. In het Kompas wordt het belang van hoogwaardige banen voor een concurrerende economie weliswaar erkend, maar in plaats van de nodige wetgeving voor te stellen om rechten te versterken, arbeidsvoorwaarden te verbeteren en collectieve onderhandelingen te stimuleren, worden deze doelstellingen ondermijnd door in te zetten op deregulering, wat kan leiden tot slechtere arbeidsomstandigheden en baanonzekerheid.

Een van de meest zorgwekkende voorstellen is de invoering van de 28e vennootschapsregeling, die ondernemingen in staat zou stellen buiten de nationale arbeidswetgeving te opereren. Dit zou de arbeidswetgeving in heel Europa ernstig kunnen ondermijnen, met als gevolg een neerwaartse spiraal op het gebied van de rechten en bescherming van werknemers.

Evenzo is een verbod op “gold-plating” — het vermogen van regeringen om wetgeving vast te stellen die verder gaat dan de minimumnormen van EU-richtlijnen — zeer problematisch. Het idee achter EU-richtlijnen, in tegenstelling tot EU-verordeningen, is dat in richtlijnen minimumnormen voor alle landen worden vastgesteld. Door te stellen dat niet verder mag worden gegaan dan minimumnormen, wordt niet alleen het idee hierachter op losse schroeven gezet; ook zou dit zeer nadelig uitvallen voor werkenden en leiden tot de vernietiging van hard bevochten vooruitgang op het gebied van onder meer gezondheidszorg, onderwijs, gezondheid en veiligheid op het werk en een eerlijk loon.

Daarnaast is de oproep van het Kompas om pensioenhervormingen door te voeren op basis van een langer beroepsleven problematisch, aangezien het werknemers onnodig belast zonder te voorzien in de behoefte aan houdbare en eerlijke pensioenstelsels.

Verder is het Kompas sterk gericht op voordelen voor bedrijven, met talrijke beloften aan bedrijfsgroepen, zonder concrete toezeggingen met betrekking tot wetgeving die ten goede zou komen aan werkenden. Zo is er onder meer een gebrek aan maatregelen om ervoor te zorgen dat overheidsinvesteringen worden gebruikt om hoogwaardige banen te scheppen in plaats van alleen maar de bedrijfswinsten te verhogen.

Kortom, het Kompas voor het concurrentievermogen biedt geen evenwicht tussen de behoeften van bedrijven en de rechten en het welzijn van werknemers, waardoor het voorstel in zijn huidige vorm onaanvaardbaar is.

Kan de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten hiermee in gevaar komen?

Op papier heeft de Commissie zich in haar onlangs gepubliceerde werkprogramma voor 2025 opnieuw gecommitteerd aan de Europese pijler van sociale rechten. In de praktijk is datzelfde werkprogramma echter het eerste sinds 2019 waarin geen enkel sociaal wetgevingsinitiatief te vinden is.

Daarentegen heeft de Commissie voor 2025 acht wetgevingsteksten in verband met “vereenvoudiging” voorgesteld. Niemand wordt graag overstelpt met administratieve lasten, en vakbonden stellen hiervoor actief oplossingen voor, bijvoorbeeld regels inzake overheidsopdrachten.

Het is echter duidelijk dat de problemen waar Europa voor staat niet opgelost zullen worden door vereenvoudiging.

De grootste bedreiging voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten is de golf van massale ontslagen die in heel Europa wordt aangekondigd. Dit brengt lonen en werkzekerheid in gevaar, maar ook pensioenen, sociale bescherming en veel andere beginselen van de pijler.

Er moet worden gezorgd voor investeringen om hoogwaardige banen te beschermen en te creëren — onder meer door middel van een SURE 2.0-instrument en een sterk EU-investeringsmechanisme —, en de nodige wetgevingsinitiatieven moeten worden genomen om hoogwaardige banen te waarborgen.

Als het verminderen van de regeldruk niet de juiste manier is, wat kan de EU dan wél doen om haar positie in de huidige mondiale economische context te versterken?

De ontslagen zijn vooral het gevolg van een gebrek aan investeringen, zowel publiek als particulier.

Veeleer dan te investeren in het loon van werknemers en broodnodig onderzoek en ontwikkeling, hebben bedrijven voorrang gegeven aan dividenduitkeringen en de terugkoop van aandelen, wat technologische ontwikkelingen in Europa in de weg staat.

De afgelopen jaren hebben de VS en China grote overheidsinvesteringen op gang gebracht. Ondertussen was de EU druk bezig met het aannemen van nieuwe regels die haar lidstaten dwongen tot bezuinigingen.

De EU moet dringend van koers veranderen. Grootschalige overheidsinvesteringen — met sociale vereisten om ervoor te zorgen dat deze investeringen hoogwaardige banen opleveren — zijn een voorwaarde voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten.

Esther Lynch is secretaris-generaal van het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV). Zij heeft uitgebreide vakbondservaring op Iers, Europees en internationaal niveau en was zowel plaatsvervangend secretaris-generaal als confederaal secretaris bij het EVV. In haar functies gaf zij leiding aan inspanningen om de rechten van werknemers en vakbonden te versterken, door invloed uit te oefenen op belangrijke richtlijnen inzake toereikende minimumlonen, transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden en klokkenluiders. Ook leidde zij campagnes voor de Europese pijler van sociale rechten en voor billijke beloning. Met haar werk zorgde zij voor 15 wettelijk bindende blootstellingslimieten voor kankerverwekkende stoffen, en faciliteerde zij overeenkomsten tussen sociale partners over digitalisering en reprotoxische stoffen. Esther is al haar hele leven feministe en ijvert ervoor dat er een einde komt aan de onderwaardering van werk dat voornamelijk door vrouwen wordt verricht.

Het EVV vertegenwoordigt 45 miljoen leden van 94 vakbondsorganisaties in 42 Europese landen, plus 10 Europese vakbondsfederaties.

De rapporten van Mario Draghi en Enrico Letta uit 2024 hebben heel wat stof doen opwaaien in de EU en haar lidstaten en zijn richtinggevend geworden voor de koers die Europa moet varen om een levensvatbare toekomst te waarborgen. In zijn advies Evaluatie van de rapporten van Letta en Draghi over de werking en het concurrentievermogen van de eengemaakte markt van de EU beschrijft het EESC het perspectief van het maatschappelijk middenveld op de rapporten en formuleert het aanbevelingen voor dringende maatregelen. Wij hebben de drie rapporteurs van het advies (Matteo Carlo Borsani, Giuseppe Guerini en Stefano Palmieri) gevraagd om nader in te gaan op de voorstellen uit de rapporten die zij van bijzonder belang achten voor de toekomstige welvaart van de EU.

De rapporten van Mario Draghi en Enrico Letta uit 2024 hebben heel wat stof doen opwaaien in de EU en haar lidstaten en zijn richtinggevend geworden voor de koers die Europa moet varen om een levensvatbare toekomst te waarborgen. In zijn advies Evaluatie van de rapporten van Letta en Draghi over de werking en het concurrentievermogen van de eengemaakte markt van de EU beschrijft het EESC het perspectief van het maatschappelijk middenveld op de rapporten en formuleert het aanbevelingen voor dringende maatregelen. Wij hebben de drie rapporteurs van het advies (Matteo Carlo Borsani, Giuseppe Guerini en Stefano Palmieri) gevraagd om nader in te gaan op de voorstellen uit de rapporten die zij van bijzonder belang achten voor de toekomstige welvaart van de EU.

Concurrentievermogen lijkt tegenwoordig het gesprek van de dag te zijn, en deregulering wordt beschouwd als het toverwoord dat Europa in één klap op de kaart kan zetten als een van de grote spelers in de wereldeconomie. Er zijn echter tal van manieren om concurrentievermogen te meten en er is geen pasklaar antwoord op de vraag hoeveel regulering te veel is. Als het debat over concurrentievermogen en deregulering niet met de nodige omzichtigheid wordt gevoerd, dreigt het te verzanden in al te simplistisch zwart-witdenken dat een solide economisch beleid in de weg kan staan, zo schrijft onze gast Karel Lannoo, CEO van het Centrum voor Europese Beleidsstudies (CEPS).

Concurrentievermogen lijkt tegenwoordig het gesprek van de dag te zijn, en deregulering wordt beschouwd als het toverwoord dat Europa in één klap op de kaart kan zetten als een van de grote spelers in de wereldeconomie. Er zijn echter tal van manieren om concurrentievermogen te meten en er is geen pasklaar antwoord op de vraag hoeveel regulering te veel is. Als het debat over concurrentievermogen en deregulering niet met de nodige omzichtigheid wordt gevoerd, dreigt het te verzanden in al te simplistisch zwart-witdenken dat een solide economisch beleid in de weg kan staan, zo schrijft onze gast Karel Lannoo, CEO van het Centrum voor Europese Beleidsstudies (CEPS).

Karel Lannoo is CEO van CEPS, een van Europa's toonaangevende onafhankelijke denktanks. Hij is gespecialiseerd in financiële regelgeving, Europese economische governance en de eengemaakte markt. Tot zijn recente publicaties behoren “Europa begrijpen”, een taskforceverslag over beleid inzake de financiële sector voor de Commissie Von der Leyen II, en diverse bijdragen aan academische publicaties en tijdschriften. Karel spreekt regelmatig op hoorzittingen van Europese, nationale en internationale instellingen en op internationale conferenties en opleidingsprogramma's voor managers. Hij leidt studies voor nationale overheden, multilaterale organisaties en de particuliere sector. Artikelen van zijn hand verschijnen regelmatig in de media. Daarnaast is Karel bestuurslid van diverse ondernemingen en stichtingen en lid van adviesraden, waaronder de Commissie Kapitaalmarkt van de AFM, de toezichthouder op de kapitaalmarkten.

door Karel Lannoo

Het is tegenwoordig erg in zwang om te klagen over het gebrek aan Europees concurrentievermogen en te pleiten voor grootschalige deregulering op EU-niveau. Maar het antwoord op de vraag of de economische situatie echt problematisch is, hangt af van de definitie van concurrentievermogen, de gebruikte indicator en de benchmark, en natuurlijk de omstandigheden.

door Karel Lannoo

Het is tegenwoordig erg in zwang om te klagen over het gebrek aan Europees concurrentievermogen en te pleiten voor grootschalige deregulering op EU-niveau. Maar het antwoord op de vraag of de economische situatie echt problematisch is, hangt af van de definitie van concurrentievermogen, de gebruikte indicator en de benchmark, en natuurlijk de omstandigheden.

Bovendien wordt concurrentievermogen gelijkgesteld aan deregulering, wat onjuist is: een massale vereenvoudiging is niet de oplossing. Om het overwicht te behouden is het dan ook zaak de juiste parameters te gebruiken; we moeten vermijden dat het debat ontspoort en de bal in het eurosceptische kamp terechtkomt.

Concurrentievermogen als beleidsdoelstelling is terug van nooit weggeweest – het is belangrijk het verleden niet uit het oog te verliezen. Met de Lissabon-strategie, formeel aangenomen door de Europese Raad van Lissabon in maart 2000, heeft de Unie zichzelf de strategische doelstelling opgelegd om “de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld (te) worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang”. Al tijdens de Delors-jaren was concurrentievermogen een punt van zorg voor de Europese Commissie – interessant in dit verband is het bekende artikel van Paul Krugman uit 1994, die de woorden “een gevaarlijke obsessie” in de mond nam. Jacques Delors maakte zich destijds zorgen over de toenemende Europese werkloosheid, tegen de achtergrond van de concurrentie van de VS en Japan, en stelde als oplossing een programma van investeringen in infrastructuur en hightech voor. Niets nieuws onder de zon dus.

Ook de vereenvoudiging van de wetgeving staat al sinds jaar en dag op de agenda. Het SLIM-initiatief (Eenvoudiger regelgeving voor de interne markt) ging al van start in 1996, toen de EU nog 15 lidstaten telde. Commissaris Charles McCreevy (2004-2009) was in de periode 2005- 2006 voorstander van regelgevingspauzes, totdat de financiële crisis toesloeg. Vicevoorzitter Frans Timmermans werd onder de Commissie Juncker belast met de uitwerking van een programma voor betere regelgeving. Hoe prijzenswaardig al deze plannen ook waren, het zou beter zijn om de onderliggende oorzaken van de complexiteit van de regelgeving aan te pakken – het besluitvormingsproces en de povere handhaving – in plaats van alleen de symptomen te bestrijden. Dat is met 27 lidstaten evenwel geen sinecure.

Concurrentievermogen, althans zoals omschreven in het rapport-Draghi, gaat meer over productiviteit en groei van het bbp, die afhankelijk van de indicator sterk verschillende resultaten kunnen opleveren. Maar er zijn ook andere manieren om concurrentievermogen te meten. Zo zou je kunnen kijken naar het interne versus het externe concurrentievermogen. Intern lijkt de EU zwak, met een dalende productiviteit in vergelijking met de VS. Extern echter heeft de EU een overschot op haar handelsbalans en lopende rekening, terwijl de VS te kampen hebben met een enorm tekort op hun handelsbalans en lopende rekening – en toch lijkt dit geen probleem te zijn (behalve dan voor president Trump).

Daarnaast is de begrotingssituatie in de EU veel beter dan in de VS of zelfs Japan; voor een juiste vergelijking met China ontbreken de gegevens. Het begrotingstekort van de EU bedroeg in 2024 ongeveer 3,5 % van het bbp, terwijl dat in de VS bijna twee keer zoveel was (6,4 %). Dankzij de mondiale positie van de dollar kunnen de VS dit tekort financieren op de internationale markten, hoewel de rentetarieven op de middellange termijn in de EU en de VS uiteenlopen, wat duidt op bezorgdheid van de markt over de Amerikaanse economie. Op dit moment bedraagt de marktrente voor leningen in USD met een looptijd van zes maanden 4,8 %, terwijl deze in de eurozone 2,5 % bedraagt (Euribor).

Bovendien liggen de energieprijzen in de EU sinds medio 2021, toen Poetin de prijzen begon te manipuleren, veel hoger dan in de VS, wat het concurrentievermogen van de verwerkende industrie, met name in Duitsland, aantast. Vandaag de dag liggen de energiekosten in de EU minstens 50 % hoger dan in de VS.

Het energiebeleid is een ander goed voorbeeld voor het debat over regelgeving: is te veel regelgeving echt het probleem? Het tegendeel is waar: er is een eengemaakte markt voor de distributie van energie, maar niet voor de productie, die in handen van de lidstaten blijft. Dit zorgt voor problemen in landen met overproductie, zoals Zweden, omdat de energietekorten in andere landen, waaronder Duitsland, de prijzen opdrijven.

Bovendien is het zeer de vraag of de afwezigheid van regelgeving in bijvoorbeeld de digitale sector beter zou zijn. Willen we vrije meningsuiting op zijn Amerikaans, zonder contentmoderatie? Willen we een oligopolistische markt zoals we die nu hebben?

Deze korte beschouwing wil duidelijk maken dat de problematiek van concurrentievermogen en deregulering uiterst omzichtig moet worden benaderd om te voorkomen dat een en ander ontaardt in een zwart-wit discussie, die een gezond economisch beleid in de weg zou kunnen staan.

Door Stefano Palmieri
EESC-groep Werknemers

De verslagen van Letta en Draghi komen op veel punten overeen, maar hun analyses en voorgestelde strategieën verschillen aanzienlijk.

Door Stefano Palmieri
EESC-groep Werknemers

De verslagen van Letta en Draghi komen op veel punten overeen, maar hun analyses en voorgestelde strategieën verschillen aanzienlijk.

Dit is bijvoorbeeld het geval met het cohesiebeleid. In het Lettta-verslag wordt gesteld dat dit een cruciale rol speelt omdat het ervoor zorgt dat alle burgers en regio’s in de Unie profiteren van de voordelen van de interne markt. Ook het verband tussen het cohesiebeleid en de diensten van algemeen belang wordt erin benadrukt. Deze zorgen ervoor dat Europeanen kunnen leven en werken waar ze willen. Draghi daarentegen hecht in zijn verslag niet al te veel belang aan het cohesiebeleid en de sociale en territoriale dimensie van het concurrentievermogen. Hij gaat in op het Europese concurrentievermogen zonder rekening te houden met territoriale verschillen, waarmee hij eigenlijk zegt dat regionale problemen kunnen worden opgelost door simpelweg het algehele concurrentievermogen van de EU te versterken. Dit gaat voorbij aan het feit dat in veel regio’s een laag concurrentievermogen en een territoriale achterstand twee kanten van dezelfde medaille zijn.

In beide verslagen wordt erkend dat “business as usual” niet langer een optie is. Het acute en complexe karakter van de huidige crises maakt een grondige verschuiving in de Europese beleidsvorming noodzakelijk, mogelijk zelfs door middel van verdragswijzigingen. Kunnen we echt over uitbreiding praten zonder het te hebben over de noodzaak van verdergaande politieke integratie? Bij zo'n verschuiving is ook een schaalwijziging nodig. Het huidige meerjarig financieel kader (MFK), dat iets meer dan 1% van het bni van de EU bedraagt, is ontoereikend en wordt beperkt door de achterhaalde logica van evenredige compensatie (“juste retour”). Er is een nieuwe aanpak nodig, geïnspireerd op het Next Generation EU-model. Uitzonderlijke uitdagingen vragen om gedurfde oplossingen, waaronder de uitgifte van “gemeenschappelijke veilige activa”, zoals tijdens de pandemie.

Het volgende MFK 2028-2034 zal uitwijzen wat de werkelijke bedoelingen van de EU zijn, aangezien daarin de prioriteiten voor de komende zeven jaar worden vastgesteld. Met alle crises die aan de gang zijn, is het logisch dat er een open debat moet worden gevoerd over de uitdagingen waarmee de EU te maken heeft, maar ook over haar belangrijkste doelstellingen en de gemeenschappelijke Europese goederen die zij haar burgers wil bieden.

Wat betreft de hervorming van de regelgeving die in beide verslagen wordt aanbevolen, mag niet worden vergeten dat de EU ‘s werelds meest geavanceerde “sociale markteconomie” is. Haar hoge economische, sociale en milieunormen zijn doorslaggevend voor het succes van dit model en staan het dus niet in de weg. Daarom is de EU-regelgeving niet te vergelijken met die van de VS of China. Bij elke poging om de EU-regels te vereenvoudigen moeten arbeidsomstandigheden, veiligheid van werknemers, consumentenrechten, sociale en economische cohesie en duurzame groei nog wel steeds worden gewaarborgd.

Europa heeft (zij het wat laat) ingezien dat het niet langer voldoende is om één grote markt te zijn. Om vooruit te komen moet de EU streven naar meer eenheid, met diepere politieke integratie en een echt consistent economisch, industrieel, handels-, buitenlands en defensiebeleid. De komende maanden zullen bepalend zijn voor de toekomst van Europa.

Door Giuseppe Guerini
, groep Maatschappelijke Organisaties van het EESC

Vorig jaar vroegen de Europese Commissie en de Europese Raad Mario Draghi en Enrico Letta verslagen op te stellen over respectievelijk het concurrentievermogen van de EU en de verbetering van de eengemaakte markt. Deze verslagen bevatten een ambitieuze politieke agenda voor de Europese Unie, die dient als routekaart en als ijkpunt ter beoordeling van de inzet en het vermogen van instellingen en beleidsmakers om de toekomst van de EU vorm te geven.

Door Giuseppe Guerini
, groep Maatschappelijke Organisaties van het EESC

Vorig jaar vroegen de Europese Commissie en de Europese Raad Mario Draghi en Enrico Letta verslagen op te stellen over respectievelijk het concurrentievermogen van de EU en de verbetering van de eengemaakte markt. Deze verslagen bevatten een ambitieuze politieke agenda voor de Europese Unie, die dient als routekaart en als ijkpunt ter beoordeling van de inzet en het vermogen van instellingen en beleidsmakers om de toekomst van de EU vorm te geven.

De verslagen Draghi en Letta bieden een graadmeter voor de mate waarin instellingen en leiders doeltreffend reageren op de complexe uitdagingen van vandaag.

Het advies dat het EESC over deze verslagen heeft opgesteld is een waardevol instrument om de eerste stappen in de nieuwe beleidscyclus te evalueren. De eerste stap is het op 29 januari door de Europese Commissie uitgebrachte Kompas voor het concurrentievermogen. Daarin staan verschillende hoogprioritaire voorstellen die ook in ons advies aan bod komen, teneinde de concurrentiekloof te dichten, de eengemaakte markt te voltooien, de regelgeving te vereenvoudigen zonder deregulering en te erkennen dat het concurrentievermogen afhangt van mensen en vaardigheden.

Los van de vaststelling dat de EU met een concurrentiekloof kampt, is er echter nog een ander euvel: het gebrek aan concrete maatregelen. Tot dusver heeft de Commissie strategische documenten, mededelingen en toezeggingen gepresenteerd, maar tastbare maatregelen laten nog maanden op zich wachten. Zoals wij in ons advies hebben opgemerkt, moeten de EU-instellingen en de lidstaten daarom ook een debat op gang brengen over de fundamentele regels van de EU en de relevantie van de huidige Verdragen voor het aangaan van de uitdagingen van vandaag, die urgente actie vereisen.

Snel handelen mag niet betekenen dat wordt ingeboet aan kwaliteit. Dat dit mogelijk is, heeft de Europese Commissie in 2020 laten zien toen zij NextGenerationEU op korte tijd optuigde. Vandaag zou de Commissie dezelfde voortvarendheid aan de dag moeten leggen,

op basis van een veelzijdige aanpak: een snelle voltooiing van de eengemaakte markt is cruciaal, maar moet hand in hand gaan met een sterke inzet voor ecologische duurzaamheid, economische welvaart en sociale en territoriale cohesie. Dit zijn immers belangrijke aanjagers van het concurrentievermogen.

Een dergelijke visie vraagt ook om een samenhangend industriebeleid, ondersteund door strategische fiscale en douanestimulansen, dat gefragmenteerde nationale benaderingen overstijgt. Tegelijkertijd is het van essentieel belang de bureaucratische lasten en nalevingskosten te verminderen door middel van slimmere regelgeving en gestroomlijnde administratieve procedures, ten behoeve van een dynamischer ondernemingsklimaat.

In de energiesector is het cruciaal dat de prijsverschillen tussen de lidstaten en in vergelijking met andere wereldeconomieën worden verkleind. Dit vereist meer investeringen in hernieuwbare energie, om te zorgen voor een meer concurrerende en duurzame energiemarkt.

Om deze ambities te ondersteunen, moet de EU ook een gemeenschappelijk beleid inzake Europese collectieve goederen ontwikkelen waarin haar strategische prioriteiten duidelijk worden omschreven en waarmee haar rol op het wereldtoneel wordt versterkt.

Het EESC zal de uitvoering van dit beleid blijven volgen en ervoor zorgen dat de stem van het Europese maatschappelijk middenveld wordt gehoord en in aanmerking wordt genomen.